docent

Nieuw onderzoek suggereert dat docenten een veel grotere invloed uitoefenen op hun studenten dan gedacht. Zo lijkt het erop dat kinderen die tijdens hun schoolcarrière minstens één steengoede juf of meester hebben een grotere kans hebben om naar het hoger onderwijs of de universiteit te gaan en later meer te verdienen.

Ik zat in groep zes toen de juf verhaalde over een poster die ze laatst had gezien. Op de poster stond Gerrit Zalm – de toenmalige minister van Financiën – en boven zijn hoofd pronkte de tekst: ‘Raad eens wie Gerrit heeft leren rekenen?’. De poster suggereerde dat onderwijs mensen maakt tot wat ze zijn. En dat beviel mijn juf wel. Nieuw onderzoek stelt nu voorzichtig dat de poster klopt: kinderen die minstens één toegewijde docent hebben gehad, gaan vaker naar de universiteit en hebben op hun 28e doorgaans een beter salaris.

Het onderzoek
Tot die conclusie komt onderzoeker Gary Chamberlain, verbonden aan Harvard, in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences. In zijn onderzoek bestudeert hij of docenten invloed hebben op wat er uiteindelijk van hun leerlingen terechtkomt. Hij bestudeerde kinderen tussen de negen en veertien jaar en daarmee beslaat zijn onderzoek dus zowel basisschoolkinderen als middelbare scholieren. Hij keek niet alleen naar de prestaties van de kinderen op school, maar zocht ook uit of de kinderen na het middelbare onderwijs naar het hoger onderwijs gingen en wat ze op hun 28e verdienden.

Chamberlain ontdekte dat docenten wel degelijk een verschil konden maken

Een procent
En toen kwam de hamvraag: was op basis van het onderwijs dat kinderen genoten hadden te voorspellen of zij later naar het hoger onderwijs gingen en een hoger salaris zouden verdienen? Chamberlain bedacht een methode die het mogelijk maakte om die vraag te beantwoorden. Hij bestudeerde de resultaten die de kinderen op school boekten en voorspelde op basis daarvan of deze scholieren naar het hoger onderwijs zouden gaan en wat ze op hun 28e zouden verdienen. Vervolgens vergeleek hij zijn voorspellingen met de werkelijkheid en vergeleek hij verschillende klassen van één en dezelfde school met elkaar (om het effect dat een docent op een klas had te achterhalen). Hij ontdekte dat docenten wel degelijk een verschil konden maken. Zo waren er docenten die de kans dat hun leerlingen naar het hoger onderwijs zouden gaan (en later ook een hoger salaris zouden verdienen) verhoogden. Heel concreet: hele goede docenten kunnen ervoor zorgen dat tot wel één procent meer leerlingen dan gemiddeld naar het hoger onderwijs gaan. En daarmee gaat ook het salaris dat deze kinderen op hun 28e verdienen omhoog.

Hoewel de resultaten van Chamberlain overtuigend lijken, is er ruimte voor vervolgonderzoek. Zo zal uit nader onderzoek moeten blijken of de resultaten van Chamberlain overeind blijven. Chamberlain sluit in zijn onderzoek al uit dat het inkomen van ouders een rol speelt in de verschillen tussen verschillende klassen. Maar er zijn nog meer factoren die wellicht een rol spelen en die niet zijn uitgesloten. Denk bijvoorbeeld aan het sorteren van studenten waarbij hele goede scholieren bij elkaar in een klas worden gezet en aan de zorgen van een hele goede docent worden toevertrouwd. Zo’n kunstje zou het hele onderzoek van Chamberlain onderuit kunnen halen. Een ander aandachtspunt is dat Chamberlain zich in zijn onderzoek niet uitspreekt over wat een docent nu tot een steengoede docent maakt. En dat zou toch wel heel interessant zijn om te weten. Want als docenten werkelijk zo’n grote stempel drukken op de toekomst van een kind, moeten we misschien eens gaan achterhalen wat steengoed is en al onze docenten steengoed maken.