Met name onder asymptomatische coronapatiënten blijkt het aantal antistoffen tegen het virus in korte tijd sterk af te nemen.

Dat stellen Chinese onderzoekers nadat ze 37 asymptomatische coronapatiënten gedurende langere tijd volgden en vergeleken met 37 coronapatiënten die wel symptomen vertoonden. Hun bevindingen zijn terug te lezen in het blad Nature Medicine.

Asymptomatisch
De onderzoekers richten zich in hun studie in principe op de tot op heden onderbelicht gebleven asymptomatische coronapatiënten. Terwijl de kranten en nieuwsuitzendingen voornamelijk aandacht besteden aan de coronapatiënten die ernstig ziek worden, in het ziekenhuis belanden of zelfs door toedoen van het virus komen te overlijden, weten we dat er ook veel mensen zijn bij wie de virusinfectie mild verloopt. En er zijn zelfs mensen die helemaal geen symptomen ontwikkelen en dus niet eens merken dat ze het virus hebben opgelopen.


Omtrent die laatste groep zijn er nog een hoop vragen. Want kunnen deze mensen ondanks dat ze geen symptomen hebben, het virus toch net zo gemakkelijk als een symptomatische coronapatiënt op anderen overdragen? En hoe reageert hun immuunsysteem op het virus? En – in het verlengde daarvan – ontwikkelen deze mensen wel (een langer aanhoudende) immuniteit tegen SARS-CoV-2? De Chinese onderzoekers kunnen de vragen niet allemaal direct beantwoorden, maar geven in hun studie wel iets meer inzicht in wat er tijdens en na de virusinfectie in het lichaam van een asymptomatische coronapatiënt gebeurt. Zo suggereert het onderzoek dat het immuunsysteem van mensen die SARS-CoV-2 oplopen, maar geen symptomen ontwikkelen, minder sterk of efficiënter op het virus reageert. En niet lang na de infectie blijkt het aantal antistoffen bij de asymptomatische coronapatiënten al weer sterk af te nemen. En ook bij de symptomatische coronapatiënten – die in deze studie dienst deden als een soort controlegroep – blijkt overigens sprake te zijn van een (weliswaar iets minder scherpe) afname.

De studie
De onderzoekers trekken hun conclusies op basis van een (kleinschalig) onderzoek. Ze verzamelden contacten van coronapatiënten die zelf ook positief waren getest en 14 dagen in isolatie moesten. Onder die contacten bevonden zich 37 mensen die in de 14 dagen voor hun positieve test en in de weken erna geen symptomen ontwikkelden. Deze patiënten werden vervolgens vergeleken met 37 patiënten die wel symptomen vertoonden. Zo werd er bijvoorbeeld gekeken in hoeverre beide groepen tijdens de infectie virusspecifieke antistoffen aanmaakten. En acht weken na de periode van isolatie werd nagegaan in hoeverre de patiënten nog neutraliserende antistoffen tegen het virus bezaten.

Zwakkere immuunrespons
Het onderzoek wijst uit dat de asymptomatische patiënten minder virusspecifieke antistoffen aanmaakten dan de symptomatische patiënten. Wat erop wijst dat hun immuunsysteem een zwakkere reactie vertoont op SARS-CoV-2. Dat is op zich niet zo heel verrassend, zo stelt immunoloog Eleanor Riley, verbonden aan de universiteit van Edinburgh en niet betrokken bij het onderzoek – in reactie op de studie. “Het is niet ongebruikelijk dat milde infecties een minder uitgebreide immuunrespons oproepen, want het immuunsysteem is ontworpen om zo te reageren dat de reactie in verhouding is met de dreiging. De vraag die werkelijk interessant is – en die we nu nog niet kunnen beantwoorden – is: waarom ontwikkelen sommige mensen zulke milde infecties? Mogelijk komt het doordat ze genetisch gezien minder vatbaar zijn voor een infectie of doordat er sprake is van een soort bestaande immuniteit die het resultaat is van een eerdere infectie door een aan SARS-CoV-2 gerelateerd coronavirus.”


Immuniteit
Maar wat betekent die milde immuunreactie op het virus voor de immuniteit? Na acht weken bleek het aantal neutraliserende antistoffen tegen SARS-CoV-2 bij de asymptomatische patiënten met zo’n 81 procent te zijn afgenomen. Bij de symptomatische patiënten was sprake van een afname van 62 procent. En dat is misschien wel één van de belangrijkste observaties van het hele onderzoek. “Het wijst er sterk op dat immuniteit voor SARS-CoV-2 bij een groot deel van de mensen binnen enkele maanden na infectie al sterk afneemt,” aldus professor Liam Smeeth, klinisch epidemioloog aan de London School of Hygiene and Tropical Medicine en niet betrokken bij het onderzoek. Hij wijst erop dat vervolgonderzoeken – onder grotere groepen mensen en waarbij mensen langduriger gevolgd worden – hard nodig zijn. “Maar deze resultaten wijzen erop dat we er niet op kunnen vertrouwen dat mensen die bewezen geïnfecteerd zijn geweest of positief testten tijdens een antistoffentest, langdurig immuun zijn.”

Immuniteit-paspoorten
De onderzoekers trekken diezelfde conclusie en pleiten op basis daarvan sterk tegen het gebruik van zogenoemde ‘immuniteit-paspoorten’: documenten die mensen waarvan bewezen is dat ze het virus hebben gehad, in staat stellen om te gaan en staan en doen en laten wat ze willen. Tegelijkertijd onderschrijft het onderzoek volgens de wetenschappers de langdurige inzet van belangrijke coronamaatregelen zoals: afstand houden, het isoleren van kwetsbare groepen, regelmatig de handen wassen en op grote schaal testen. Van deze maatregelen is inmiddels bewezen dat ze de verspreiding van het virus beperken.

Zowel voor onderzoekers als overheden is het van groot belang om vast te stellen hoelang mensen na een doorgemaakte virusinfectie immuun zijn voor dat virus. Hun immuniteit beschermt ze namelijk niet alleen tegen infectie, maar zorgt er ook voor dat zij het virus niet langer op anderen kunnen overdragen. En als je binnen een populatie maar genoeg van deze immune mensen hebt, kan het virus zich binnen zo’n populatie eigenlijk niet meer verspreiden en zijn ook mensen die nog geen infectie hebben doorgemaakt – en er dus nog vatbaar voor zijn – veilig. We noemen dat ook wel groepsimmuniteit. Hoeveel mensen immuun moeten zijn alvorens groepsimmuniteit wordt bereikt, is afhankelijk van de besmettelijkheid van het virus. In het geval van SARS-CoV-2 zou ongeveer 70 procent van de bevolking het virus gehad moeten hebben. Waar het streven naar groepsimmuniteit in de prille stadia van de pandemie nog een tamelijk aanlokkelijke strategie leek, is dat – mede door dit soort studies – nu wel anders. Gaandeweg is het idee dat men na infectie door SARS-CoV-2 langdurig immuun is voor het virus, flink op losse schroeven komen te staan. Gelukkig is het doormaken van een infectie niet de enige manier waarop er groepsimmuniteit kan worden bereikt. Ook door te vaccineren kunnen wellicht in korte tijd – en zonder dat men een potentieel gevaarlijke virusinfectie hoeft door te maken – grote groepen mensen (hopelijk langdurig) immuun worden gemaakt. Aan dergelijke vaccins wordt nu hard gewerkt. Wereldwijd zouden er zo’n 200 in ontwikkeling zijn, waarvan er 10 inmiddels voorzichtig op mensen worden getest. Wanneer deze daadwerkelijk op grote schaal kunnen worden ingezet, is nog onduidelijk. Ze moeten eerst uitgebreid getest worden om vast te kunnen stellen of ze effectief en veilig zijn. En begin dit jaar werd dan ook geschat dat de ontwikkeling ervan zeker 12 tot 18 maanden in beslag neemt, wat zou betekenen dat ze op zijn vroegst eind 2020 of begin 2021 beschikbaar zijn.