Maar liefst 939 ervan zijn nieuw!

Dat melden onderzoekers – waaronder ook wetenschappers van de VU Amsterdam – in het blad Nature Genetics. De onderzoekers bestudeerden de genetische gegevens van meer dan 250.000 mensen. Van al deze mensen was ook vastgesteld hoe intelligent ze waren.

1016 genen
De studie resulteert in de ontdekking van 190 nieuwe plekken op het genoom die verband houden met intelligentie. Ook konden de onderzoekers 1016 specifieke genen – waarvan er 939 nog niet eerder met intelligentie in verband zijn gebracht – aanwijzen die geassocieerd kunnen worden met intelligentie. “We kunnen in de data zien welke variant van een gen geassocieerd wordt met een verhoging of verlaging van intelligentie,” legt onderzoeker Danielle Posthuma uit aan Scientias.nl. “We kunnen ook zien wat de functie van deze variant is. Bijvoorbeeld of die variant de expressie van een gen verhoogt.” Wat de onderzoekers op basis van de data niet kunnen concluderen, is welke genvarianten een hogere of lagere intelligentie veroorzaken. “We weten nog niet met zekerheid welke varianten causaal zijn, omdat er in het DNA veel varianten zijn die zo dicht bij elkaar liggen dat het lastig te onderscheiden is welke nou precies die ene causale is.”

Cognitieve reserve

Sommige patiënten met forse hersenschade kunnen nog relatief goed functioneren, terwijl anderen bij milde hersenschade al te maken hebben met ernstige cognitieve problemen. Hoe is dat te verklaren? Onderzoekers hebben daar wel ideeën over. Zo is er bijvoorbeeld de cognitieve reserve-hypothese die stelt dat sommige individuen beter dan anderen in staat zijn om schade in het brein te ‘compenseren’. Mensen met een hoge cognitieve reserve kunnen de klachten daarbij langer uitstellen en gaan trager achteruit dan mensen met een lage cognitieve reserve. Of mensen een hoge of lage cognitieve reserve hebben, lijkt afhankelijk van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld een bovenmatige intelligentie, opleidingsniveau en levensstijl.

Alzheimer en ADHD
Op basis van hun analyse stellen de onderzoekers verder voorzichtig dat een verhoogde intelligentie mogelijk beschermt tegen Alzheimer en ADHD. “Dat deden we met een methode die mendelian randomization (MR) heet, waarbij je kunt toetsen of de effecten van genen direct op twee eigenschappen zijn, of via de ene eigenschap op de andere eigenschap. We vonden inderdaad een direct, beschermend effect van intelligentie op Alzheimer en ADHD. Hoewel deze bevindingen passen in bijvoorbeeld de cognitieve reserve-hypothese van Alzheimer (zie kader, red.), heeft deze MR methode wel een aantal aannames, en kunnen we niet geheel uitsluiten dat er ook nog alternatieve verklaringen zijn voor wat we nu zien in de data. Zoals bijvoorbeeld dat het effect van intelligentie op Alzheimer niet direct is, maar via weer een andere eigenschap loopt.”

Implicaties
Dat talloze genen aan intelligentie ten grondslag liggen, is niet nieuw. Maar welke genen dat precies zijn en welke functies ze hebben: dat was tot voor kort onbekend. Vorig jaar publiceerden wetenschappers van de VU al een studie waarin ze meer dan vijftig genen vonden die verband houden met intelligentie. Daar zijn nu dus nog meer dan 1000 genen aan toegevoegd. “Dankzij het aanwijzen van zoveel genen zijn we nu in deze studie voor het eerst in staat geweest om een volgende stap te maken, namelijk naar het aanwijzen van specifieke celtypen in intelligentie,” vertelt Posthuma.

Omgeving
Overigens moet worden opgemerkt dat intelligentie niet alleen te verklaren is door naar genen te kijken. “Wij hebben nu alleen het DNA onderzocht, dat is maar een deel van het totaalplaatje,” aldus Posthuma. Omgeving speelt namelijk ook een rol.

Tegelijkertijd met het onderzoek naar de genetische basis van intelligentie publiceren wetenschappers in hetzelfde wetenschappelijke blad ook een studie over de genetische basis van neuroticisme (een risicofactor voor schizofrenie en depressie). Voor dit onderzoek bestudeerden wetenschappers de gegevens en het genetische materiaal van bijna een half miljoen mensen. De onderzoekers ontdekten 124 nieuwe plaatsen op het genoom die verband houden met neuroticisme. “Dit is een scherpe toename in vergelijking met eerdere studies (waarin zestien plaatsen op het genoom kwamen bovendrijven, red.) en laat zien dat onderzoek onder heel grote groepen mensen nodig is om het bescheiden effect van heel veel genen te detecteren,” aldus onderzoeker Sophie van der Sluis. In totaal ontdekten de onderzoekers meer dan 500 specifieke genen die verband houden met neuroticisme. Daarbij kan er onderscheid gemaakt worden tussen twee ‘genetische subclusters’: eentje die tevens geassocieerd wordt met depressie en eentje die tevens geassocieerd kan worden met piekergedrag. “Ook voor neuroticisme geldt dat naast het aanwijzen van veel genen, we nu voor het eerst specifieke celtypes hebben aangewezen,” vertelt Posthuma. “We kunnen nu in vervolgonderzoek gaan uitzoeken wat deze typen cellen precies doen en waarom ze betrokken zijn bij neuroticisme. Tevens laten we zien dat er een genetisch sterke overlap is met depressie.”