Waarom werden sommige dinosauriërs enorm groot en dik? Wetenschappers denken de verklaring te hebben gevonden: de dieren kauwden niet. De dinosauriërs waren namelijk zo groot, dat het onmogelijk was om in een dag voldoende energie binnen te krijgen. Dit lukte alleen met schransen.

Er is een regel in de biologie: hoe groter een dier is, hoe meer tijd het dier besteedt aan eten. Zo spenderen olifanten dagelijks achttien uur aan het verorberen van voedsel.

“De gigantische dinosauriërs waren zo groot, dat ze per dag dertig uur moesten eten om aan hun energiebehoefte te voldoen”, vertelt Martin Sander van de universiteit van Bonn. Aangezien dinosauriërs niet uren aan de dagen konden toevoegen, evolueerden ze de mogelijkheid om voedsel volledig door te slikken.

Kauwen is belangrijk, want daardoor wordt voedsel in kleinere stukjes gebroken door de tanden. Hierdoor kunnen enzymen in het spijsverteringskanaal het eten beter verteren. Kauwen heeft ook nadelen, namelijk dat het tijd en energie kost. Er is nog een ander probleem: de grootste sauropode planteneters hadden relatief kleine hoofden en lange nekken. Om te kauwen zijn zware spieren en extra botten in de schedel nodig. Een dier dat niet hoeft te kauwen, heeft als voordeel dat zijn kop lichter kan blijven. Wel zo handig op de lange nekken van de sauropoda.

Sander denkt dat veel sauropoda paardenstaarten aten. Deze planten waren zeer voedzaam voor dinosauriërs. Tegenwoordig eten niet veel dieren paardenstaarten, omdat de plant tijdens het kauwen als schuurpapier voelt. Dit komt door de grote hoeveelheden silicaat in de plantensoort. Maar wie niet kauwt, proeft hier niets van!

Nog een aanwijzing: het spijsverteringsproces in de grootste sauropoden duurde waarschijnlijk enkele dagen. Daarnaast hadden ze zeer grote magen. Groot genoeg om het eten aan één stuk door naar binnen te werken.