GEZONDHEID  Waarom kunnen wij mensen wel zeventig, tachtig of zelfs meer dan honderd jaar oud worden en legt de gemiddelde aap – die toch redelijk vergelijkbare genen heeft – rond zijn vijftigste verjaardag al het loodje? Professor Caleb Finch zocht het uit en wat blijkt? Het zit toch in die genen!

Volgens Finch hebben mensen beter ontwikkelde genen die in staat zijn om gevaarlijke infecties, ontstekingen en een hoge chlorestorolwaarde het hoofd te bieden. Deze genen heeft de mens ontwikkeld door een ander dieet en DNA-samenstelling. Dankzij deze evolutie kunnen mensen ouderdomsziekten als kanker, hartziekten en dementie beter aan.

De mens heeft zijn dieet in de loop der tijd veranderd, waardoor hij ook een uniek gen verkregen: apolipoproteïne E. Dit geen voert chlorestorol af en pakt bovendien ontstekingen en veroudering van het brein en de slagaderen aan.
Mensen kunnen verschillende vormen van ApoE hebben. Zo is er het ‘goede’ ApoE3 dat de levensduur van de mens flink verlengd. Maar er zijn ook mensen met het ApoE4-gen dat de levensduur met zo’n vier jaar kan verkleinen en een grotere kans op harfziekten en Alzheimer met zich meebrengt.

De chimpansees mogen dan korter leven, hun ApoE functioneert meer zoals ons ApoE3 wat verklaart dat zij tegen hun vijftigste veel minder last hebben van hartziekten of Alzheimer.

Volgens Finch is het ontstaan van ApoE4 bij mensen te verklaren met de theorie dat genen die eerst ziekten verslaan (ApoE3) op latere leeftijd van de mens het tegenovergestelde gaan doen (ApoE4). Er worden op dit moment medicijnen ontwikkeld die de activiteiten van ApoE4 moeten veranderen waardoor ook dragers van het ApoE4-gen een langere levensduur tegemoet moeten kunnen zien.