Wanneer wij iemand ontmoeten, kijken we diegene direct in de ogen. Is dat bewust of komt dat doordat de ogen zich toevallig in het midden van het hoofd bevinden? Een nieuw onderzoek waarin geëxperimenteerd wordt met heuse monsters, biedt antwoorden.

Zodra wij iemand ontmoeten, dwalen onze ogen direct af naar de ogen van de ander. En niet alleen wij hebben daar last van. Ook honden, dolfijnen en apen doen het. Ze kijken naar de ogen van de ander en volgen zijn blik. Maar waarom? Wetenschappers weten het niet precies, maar er gaan twee hypotheses de ronde. De eerste stelt dat mensen (en sommige dieren) geprogrammeerd zijn om naar de ogen te kijken. Een andere hypothese stelt dat we bij het verwerken van gezichten altijd automatisch de nadruk leggen op het middelpunt ervan en toevallig bevinden zich daar ook de ogen.

Experiment
De onderzoekers van de universiteit van British Columbia wilden nu wel eens weten hoe het echt zat. Ze zetten daarvoor een experiment op waarin proefpersonen geconfronteerd werden met afbeeldingen van mensen, niet-menselijke organismen die de ogen ook midden op het hoofd hadden zitten en monsters die hun ogen op hele andere plekken op hun lijf hadden zitten. Terwijl de proefpersonen naar de afbeeldingen keken, werd vastgesteld op welk punt op de afbeelding ze gericht waren.

Een mens, een niet menselijk figuur met wel de ogen in het midden van het hoofd en een monster. Afbeelding: Biology Letters (doi: 10.1098/rsbl.2012.0850).

Resultaten
Uit het onderzoek blijkt dat mensen in eerste instantie altijd naar het midden van de afbeelding keken. Dat bevestigt dat we geneigd zijn om naar het geometrische centrum van objecten te kijken. Maar zodra de proefpersonen foto’s van mensen of niet-mensen zagen, schoot hun blik direct omhoog, richting de ogen. Bij monsters bij wie de ogen op hele andere plekken zaten, richtten de proefpersonen zich ook direct op de ogen. Ongeacht waar die zaten.

Blik
Hoe is dat te verklaren? De onderzoekers doen een poging in hun paper. Ze stellen dat alles erop wijst dat ons brein geprogrammeerd is om in korte tijd zoveel mogelijk sociale informatie over anderen te verzamelen. Dat doen we onder meer door de blik van anderen te volgen. En dat kunnen we pas doen als we die blik vinden.

Het onderzoek kan implicaties hebben voor autisme en behandelingen daarvan. Mensen met autisme slagen er vaak niet in om de ander in de ogen te kijken. Lang was onduidelijk of ze gewoon niet in staat waren om zich op het hoofd of de ogen of allebei te richten. Dit onderzoek wijst erop dat mensen die niet aan autisme lijden zich direct op de ogen richten. Inspanningen om mensen met autisme ook zover te krijgen, moeten er dus eigenlijk voor zorgen dat cliënten hun blik op de ogen en dus niet alleen op het hoofd richten.