De hele definitie van ‘the fittest‘ is in een eeuw tijd op ongeëvenaarde wijze veranderd.

Dat wij mensen een enorme invloed hebben op deze planeet is geen geheim. In de afgelopen eeuw is de wereldbevolking explosief toegenomen: van 1,8 miljard naar 7,6 miljard mensen vandaag de dag. Maar we zijn niet alleen in aantal gegroeid; onze individuele ecologische voetafdruk is ook enorm uitgedijd. In andere woorden: we vragen ook nog eens veel meer van de planeet dan mensen een eeuw geleden deden. Om in die gestaag groeiende behoefte aan voedsel en spullen te kunnen voorzien, is de afgelopen eeuw steeds meer land door mensen in beslag genomen. Natuurgebieden hebben plaatsgemaakt voor akkerbouw of industrie en inmiddels hebben we zo maar liefst driekwart van het ijsvrije oppervlak op onze planeet naar onze hand gezet. Ondertussen hebben we dat land op veel plekken vervuild. Net als de lucht. En ook de samenstelling van de atmosfeer is zodanig veranderd dat het klimaat van onze planeet aan het veranderen is.

Evolutie
Het heeft vanzelfsprekend ook effect op die andere aardbewoners: planten en dieren. En in een paper in het blad Proceedings of the Royal Society B betoogt onderzoeker Sarah Otto zelfs dat we de koers van de evolutie van planten en dieren eigenhandig en mogelijk voorgoed veranderd hebben.

Natuurlijke selectie
De drijvende kracht achter die evolutie is natuurlijke selectie. Dieren en planten die het best aangepast zijn aan hun omgeving – oftewel ‘the fittest‘ – hebben de beste overlevingskansen en dus meer gelegenheid om nageslacht op de wereld te zetten. Hierdoor zullen hun eigenschappen zich ook sneller binnen de populatie verspreiden. Maar doordat wij mensen de omgeving waarin deze dieren en planten leven, veranderen, passen we automatisch ook dat hele proces van natuurlijke selectie en dus de koers van de evolutie aan.

In de stad
Een mooi voorbeeld daarvan is ‘evolutie in de stad‘. In steden vinden we veel hoge gebouwen. En naar schatting komen in de VS alleen al elk jaar zo’n 800 miljoen vliegende dieren om doordat ze in botsing komen met zo’n gebouw. “Dergelijke hoge sterftecijfers kunnen een sterke selectiedruk genereren die leidt tot veranderingen in gedrag (bijvoorbeeld vliegsnelheid of -hoogte), morfologie (bijvoorbeeld de vorm van de vleugels) en levensloopstrategie (bijvoorbeeld de leeftijd waarom dieren zich voor het eerst voortplanten). Hoewel dit niet volledig gedocumenteerd is, stapelt het bewijs voor dergelijke wijdverspreide evolutionaire reacties zich op.” Zo zijn er vogels die gewoonweg minder zijn gaan vliegen. Of vogels wiens vleugels van vorm veranderd zijn, waardoor ze sneller van richting kunnen veranderen.

Jacht
Maar we zijn nog op meer manieren – onbewust – van invloed op de evolutionaire koers van dieren. Bijvoorbeeld door op dieren te jagen. Denk aan de visserij. Er zijn aanwijzingen gevonden dat vissen in reactie op overbevissing evolueren. Ze worden bijvoorbeeld sneller geslachtsrijp. Dat is een logische reactie van Moeder Natuur: als visnetten als het Zwaard van Damocles boven je hoofd hangen, kun je maar beter wat eerder beginnen met voortplanten. Het vergroot niet direct jouw overlevingskansen, maar wel die van de populatie. Maar doordat vissen eerder geslachtsrijp worden, zijn ze op volwassen leeftijd ook een stukje kleiner dan voorheen.

Nieuwe soorten
Ook lijkt het aannemelijk dat we van invloed zijn op de snelheid waarmee nieuwe soorten ontstaan. Bijvoorbeeld doordat we middels veranderingen in het klimaat nieuwe niches creëren. “De zwartkoppen (zangvogels, red.) die nu naar Groot-Brittannië in plaats van Spanje migreren, beginnen sporen te vertonen van genetische differentiatie: een eerste stap richting het ontstaan van een nieuwe soort en dat in minder dan een eeuw tijd.” Tegelijkertijd kan het echter ook zomaar zijn dat er door onze toedoen over het algemeen veel minder nieuwe soorten ontstaan dan voorheen. Bijvoorbeeld doordat we landschappen homogener maken dan ze in beginsel waren.

“Mensen hebben de koers van de evolutie van soorten op aarde veranderd,” zo concludeert Otto. De richting van selectie is veranderd, nu organismen die het beste bestand zijn tegen ons en onze wilde plannen de ‘fittest‘ zijn. “Antropogene veranderingen op het gebied van evolutie zijn volgens mij ongeëvenaard,” zo stelt Otto. En dat is een probleem. “Allereerst laten we voor toekomstige generaties een wereld achter die minder natuurlijk, minder wild en minder biologisch is dan de wereld waarin wij geboren zijn, niet simpelweg omdat er soorten verdwenen zijn, maar ook doordat we organismen een selectiedruk hebben opgelegd: het tolereren van menselijke activiteiten. Daarnaast kan het zomaar zijn dat we de snelheid waarmee nieuwe soorten ontstaan, verlagen door organismen over de wereld te vervoeren en omgevingen homogener maken. Een gevolg daarvan is dat het langer duurt voor de planeet hersteld is van de huidige extinctiecrisis.” Tenslotte waarschuwt Otto dat we – in tegenstelling tot wat dit paper op het eerste gezicht misschien doet vermoeden – de koers van de evolutie niet helemaal kunnen bepalen. Onze acties kunnen zich zomaar tegen ons keren. Bijvoorbeeld “wanneer ziekten en hun verspreiders zich beter aanpassen aan een leven in onze steden, ongedierte zich beter aanpast aan onze gewassen en onze prooien zich beter aanpassen aan onze jachtmethoden. Zoals we gezien hebben met de evolutie van antibioticaresistentie kunnen wij mensen een selectiedruk creëren, maar dat wil zeker niet zeggen dat we de overhand hebben.”