zwarte zaadmier

Mieren weten zich verrassend goed te redden in de ruimte. Zelfs als ze contact met het oppervlak verliezen en door de ruimte tuimelen weten ze weer voet aan de grond te krijgen, zo blijkt.

Onderzoekers trekken die conclusie op basis van experimenten in het internationale ruimtestation. In januari 2014 stuurden ze een aantal zwarte zaadmieren de ruimte in. Het experiment begon zodra de onderzoekers een barrière in de bak van de mieren wegnamen en deze een nieuw gebied konden gaan verkennen. Zo’n 25 minuten later werd een tweede barrière weggenomen waardoor het gebied dat de mieren konden verkennen twee keer zo groot werd. Het experiment werd niet alleen in de ruimte uitgevoerd, maar ook op aarde.

Verspreiding
Uit de experimenten op aarde bleek dat de zwarte zaadmieren hun gebied in nauwe samenwerking met elkaar verkennen. En wel door zo snel mogelijk de grenzen van dat gebied te bereiken en onderweg een zo groot mogelijk deel van dat gebied te bezoeken. Wanneer het gebied relatief klein is, blijven de mieren daartoe vrij dicht bij elkaar. Maar wanneer het gebied groter wordt, passen ze hun route aan en verspreiden ze zich meer.

WIST JE DAT…
…onderzoekers onlangs ontdekt hebben waar een mier heengaat als hij naar het toilet moet?

In de ruimte
De mieren in de ruimte hadden er aanzienlijk meer moeite mee wanneer het te verkennen gebied opeens twee keer zo groot werd. “Onder de extreme omstandigheden die de beperkte zwaartekracht in de ruimte met zich meebrengt, deden de zwarte zaadmieren precies hetzelfde als op aarde, alleen deden ze dat niet zo goed,” stelt onderzoeker Deborah Gordon. De mieren verkenden hun gebied, maar deden dat lang niet zo efficiënt als hun soortgenoten op aarde en sommige delen van het te verkennen gebied werden niet eens met een bezoekje vereerd.

Zweven
Mogelijk is dat deels te verklaren door het feit dat de mieren in de ruimte moeite hadden om in contact te blijven met het oppervlak. Met grote regelmaat kwamen ze los van het oppervlak en zweefden ze door de ruimte. Zo’n zweefvlucht duurde tussen de 3 en 8,2 seconden en het overkwam per minuut zo’n zeven procent van de mieren. Tot grote verbazing van de onderzoekers waren de mieren wel heel goed in staat om zich vervolgens weer aan het oppervlak vast te klemmen. Maar het leed was mogelijk al geschied. Wellicht lukte het de mieren niet om efficiënt hun leefgebied te verkennen, omdat ze elke keer loskwamen van het oppervlak en dus niet langer wisten hoe hun positie zich verhield tot de positie van hun soortgenoten: informatie die van cruciaal belang is als je samen een gebied onderzoekt.

De resultaten van het onderzoek kunnen wellicht gebruikt worden bij het ontwikkelen van autonome robots die samen – door zich bewust te zijn van elkaars locatie – een rampgebied kunnen doorzoeken naar overlevenden.