Nee, zo concludeert een nieuw rapport. Maar we moeten wel alert blijven.

Het rapport is het werk van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en kan gezien worden als een antwoord op een motie van twee Kamerleden. De Kamerleden verzochten de regering “om een nadere beschouwing en advies te vragen aan de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) of zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven in de wetenschap in Nederland een rol spelen, en met aanbevelingen te komen hoe te allen tijde het vrije woord binnen de wetenschappelijke waarheidsvinding de ruimte zou moeten krijgen”.

Zelfcensuur en beperkte diversiteit
Naar aanleiding van die motie heeft het KNAW nu gekeken of er aanwijzingen zijn dat in ons land sprak is van zelfscensuur. Je moet daarbij volgens de KNAW denken aan “bewust of onbewust afzien van het stellen van onderzoeksvragen of publiceren van onderzoeksresultaten omdat de vragen en/of de (verwachte) uitkomsten maatschappelijk en/of politiek onwenselijk worden geacht”. Ook werd gekeken of de wetenschap in Nederland te lijden heeft onder een beperking van diversiteit aan perspectieven, oftewel “het missen van verscheidenheid in expertise en achtergrond van onderzoekers met negatieve consequenties voor de kwaliteit van het onderzoek en de mate waarin het onderzoek vernieuwend of grensverleggend is”.

Geen zorgen
De resultaten zijn terug te lezen in een uitgebreid rapport dat tamelijk bemoedigend is. Zo heeft de KNAW geen signalen gevonden dat er in de wetenschap in Nederland structureel sprake is van zelfcensuur en beperking van diversiteit aan perspectieven. Dat is volgens de KNAW mede te danken aan de wetten, gedragscodes en regelingen die er in Nederland zijn om een goede en integere wetenschap te waarborgen. In die wetten, gedragscodes en regelingen is veel aandacht voor thema’s als onpartijdigheid, verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid.

Alert blijven
Hoewel er geen directe zorgen zijn over de vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland moeten we wel alert blijven, zo waarschuwt de KNAW. In het rapport komen namelijk ook een aantal ontwikkelingen aan bod die een gevaar kunnen vormen voor die vrijheid. Je kunt dan bijvoorbeeld denken aan het feit dat universiteiten steeds minder geld krijgen voor onderzoek, waardoor wetenschappers financiële middelen los moeten peuteren bij externe partijen. “Enerzijds kan externe sturing de verankering van de wetenschap in de samenleving versterken en zelfcensuur binnen de wetenschap voorkomen,” meldt het rapport. “Anderzijds kan het als gevolg hebben dat sommige onderwerpen onderbelicht raken omdat er in de samenleving (tijdelijk) minder belangstelling voor bestaat, terwijl daar uit wetenschappelijk inhoudelijk oogpunt geen reden toe is.” Daarnaast moeten onderzoekers er meer dan ooit voor waken dat de externe financier en opdrachtgever van zijn onderzoek geen invloed uitoefent op de werkwijze, interpretatie en publicatie van de resultaten. Ook waarschuwt de KNAW voor twee momenten “waarop het grootste risico bestaat voor vooringenomenheid, beperking van ideeën of beperking in de keuze van onderwerpen (…): de benoeming van wetenschappelijk personeel en het proces van peer review van onderzoeksvoorstellen en van wetenschappelijke publicaties. Schoolvorming kan hierbij een rol spelen”.

De KNAW komt in het rapport – met de hierboven genoemde risico’s in het achterhoofd – ook met een serie aanbevelingen voor overheden, universiteiten en onderzoekers. Zo worden universiteiten aangemoedigd een open organisatieklimaat te creëren “waarin verschillen in perspectief en onderling debat worden gestimuleerd”. De overheid krijgt het advies om “in de eerste geldstroom voldoende ruimte te behouden voor ongebonden onderzoek. Daarnaast spelen overheid en politiek een belangrijke rol in het erkennen van het belang van wetenschappelijk onderbouwde feiten en analyses.” En onderzoekers krijgen het advies om de dialoog aan te gaan met de maatschappij, want “vrijheid van wetenschapsbeoefening betekent ook dat de wetenschap zo mogelijk de verbinding met de maatschappij zoekt en uitlegt waarom het onderzoek wordt gedaan en op welke wijze de opgedane kennis mogelijk is toe te passen.”