Rond jonge sterren in het sterrenbeeld Stier zijn verrassend veel aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van piepjonge planeten.

Dat melden onderzoekers in dit paper. Hun studie wijst erop dat superaardes en planeten ter grootte van Neptunus rond jonge sterren veelvuldiger dan gedacht het levenslicht zien.

Het onderzoek
De onderzoekers bestudeerden 32 jonge sterren in een stervormingsgebied dat zich in het sterrenbeeld Stier bevindt. Rond deze jonge sterren bevinden zich zogenoemde protoplanetaire schijven (zie kader).

Protoplanetaire schijven
Protoplanetaire schijven zijn schijven die bestaan uit stof en gas. Op een gegeven moment kan materiaal uit die schijf gaan samenklonteren. Die klonters trekken hun baantjes rond de ster en trekken onderweg nog meer materiaal aan, waardoor ze geleidelijk aan groter worden. Naarmate de objecten groter en zwaarder worden, zijn ze steeds beter in staat om hun baan schoon te vegen en zo ontstaan er gaten en ringen in de protoplanetaire schijf. Lang voor astronomen in staat zijn om baby-planeten in een protoplanetaire schijf direct waar te nemen, kunnen ze de aanwezigheid ervan afleiden uit bepaalde structuren in het gas- en stof.

En in twaalf van die protoplanetaire schijven – oftewel zo’n 40% van de bestudeerde gas- en stofschijven – hebben onderzoekers ringen en openingen aangetroffen die het best te verklaren zijn door de aanwezigheid van planeten in wording. En de meeste van die baby-planeten zouden tot de superaardes gerekend kunnen worden of qua grootte vergelijkbaar zijn met Neptunus. Slechts twee van de waargenomen protoplanetaire schijven vertonen sporen die wijzen op de aanwezigheid van gigantische planeten die zich qua grootte kunnen meten met de grootste planeet in ons zonnestelsel, Jupiter. “Het is fascinerend, omdat het de eerste keer is dat exoplaneet-statistieken – die suggereren dat superaardes en Neptunussen de meest voorkomende type planeten zijn, overeenkomt met wat we in protoplanetaire schijven zien,” aldus onderzoeker Feng Long. “Aangezien de meeste planetenjagers niet door het dikke stof in protoplanetaire schijven heen kunnen kijken, zijn alle exoplaneten – met uitzondering van eentje – gedetecteerd in systemen die al verder geëvolueerd zijn en geen protoplanetaire schijf meer hebben,” legt onderzoeker Paola Pinilla uit.

De onderzoekers baseren hun conclusie op waarnemingen met behulp van ALMA. Ze gingen daarbij heel voorzichtig te werk. Gaten en ringen in protoplanetaire schijven kunnen namelijk niet automatisch verklaard worden door de aanwezigheid van planeten. Eerdere studies suggereren dat ze ook door andere effecten in de protoplanetaire schijf kunnen ontstaan. Daarom werd voor elke structuur die de onderzoekers in de protoplanetaire schijven aantroffen nagegaan of deze ook op een andere manier verklaard kon worden. En zo bleven rond twaalf van de jonge sterren toch structuren over die het beste te verklaren zijn door baby-planeten. “Onze resultaten zijn een opwindende stap vooruit in ons begrip van deze belangrijke fase van planeetvorming,” aldus Long.