Elk jaar reizen miljoenen motten dagenlang. Lang dachten onderzoekers dat de diertjes simpelweg mee zweefden op de wind, maar er is meer. De motten kiezen de snelste wind en volgen die route. Soms veranderen ze zelfs van route, omdat het hen te langzaam gaat. De dieren kunnen met een snelheid tot 100 kilometer per uur reizen.

De motten reizen in de herfst naar het zuiden en in de lente naar het noorden. Verdwalen doen ze niet; ze hebben blijkbaar een intern kompas dat hen vertelt wat noord en zuid is. Bovendien zijn ze in staat om te bepalen met welke wind ze moeten meewaaien. En dan hebben ze schijnbaar ook nog meetapparatuur om de snelheid van de wind vast te stellen. “We weten niet hoe ze dit precies doen,” bekent onderzoeker Jason Chapman. “We denken dat ze een bepaalde hint met betrekking tot de windsnelheid krijgen, misschien de kracht van turbulentie.” Turbulentie geeft aan hoe snel de wind staat. Bij weinig turbulentie is er een snellere wind. En dat is precies waar de motten op uit zijn. “De maximale snelheid die we ontdekt hebben is ongeveer 100 kilometer per uur, ze gaan ongelooflijk hard.”

Snelheid is belangrijk. De wind is immers bijzonder wispelturig, dus als deze goed staat dan moet ‘ie ook benut worden, natuurlijk. Chapman vergelijkt de mot met windsurfers. Zodra de wind verandert, past de mot zich razendsnel aan. Gemiddeld kunnen motten een afwijking tot zo’n twintig graden wel corrigeren. Als de wind teveel verandert, bijvoorbeeld 90 graden, dan stoppen de motten en wachten ze tot de wind weer goed staat.