amputatie

Het is iets mysterieus: fantoompijn, oftewel pijn in een lichaamsdeel dat mensen zijn kwijtgeraakt. Een nieuw onderzoek lijkt het mysterie een beetje te ontrafelen. De fantoompijn lijkt samen te hangen met verstoorde verbindingen in het brein.

Onderzoekers van de universiteit van Oxford verzamelden achttien mensen bij wie een (onder)arm was geamputeerd. Ondanks dat het voor deze proefpersonen gemiddeld al achttien jaar geleden was dat ze het lichaamsdeel waren kwijtgeraakt, ervoeren ze allemaal in meer of mindere mate fantoompijn. Naast deze groep proefpersonen verzamelden de onderzoekers ook elf mensen die met één hand geboren waren en een controlegroep, bestaande uit 22 volwassenen die alle ledematen nog hadden.

Experiment
De onderzoekers onderwierpen de proefpersonen aan een MRI-scan. Terwijl de proefpersonen in de scan lagen, kregen ze de opdracht zich in te beelden dat ze de vingers aan hun (missende) arm bewogen. De hersenscan stelde de onderzoekers in staat om te achterhalen hoe de (missende) arm in het brein vertegenwoordigd werd.

Over fantoompijn

Bijna alle mensen die een ledemaat zijn kwijtgeraakt, voelen dit ledemaat nog wel. Naar schatting ervaart zo’n tachtig procent ook echt pijn in het missende lichaamsdeel. Soms is die pijn onverdraagbaar. Het enige wat artsen kunnen doen, is pijnstillers voorschrijven. Een effectieve behandeling is er niet, simpelweg omdat onderzoekers nog niet goed weten hoe fantoompijn ontstaat.

Beeld
Uit het onderzoek blijkt dat het brein een ledemaat niet snel vergeet. Ook al was de arm er al een tijdje niet meer: deze bleef in het brein vertegenwoordigd. Maar de herinnering aan de arm was lang niet bij alle proefpersonen even sterk. Hoe sterker het beeld dat het brein van de arm had, was, hoe ernstiger ook de fantoompijn waar de proefpersonen mee te maken hadden. “We waren verbaasd toen we ontdekten dat de reactie van het brein (op de opdracht om de vingers te bewegen, red.) van proefpersonen die een amputatie hadden ondergaan en sterke fantoompijn ervoeren, vrijwel niet te onderscheiden was van de reactie van mensen die beide armen nog hadden,” vertelt onderzoeker Tamar Makin.

Verbindingen
De proefpersonen die een amputatie hadden ondergaan, bleken in het deel van het brein dat het missende ledemaat aanstuurde, over het algemeen minder grijze stof (de verwerker van informatie) te hebben dan proefpersonen die beide armen nog hadden. Maar weer gold: hoe intacter dit deel van het brein was, hoe ernstiger de fantoompijn. Ondanks dat de structuur van het deel van het brein dat het missende ledemaat aanstuurde bij mensen met ernstige fantoompijn in betere staat was, bleken de verbindingen met andere delen van het brein bij deze mensen juist meer verstoord te zijn. Zo bleek met name de representatie van de missende hand in het brein niet synchroon te lopen met de representatie van de andere hand aan de andere zijde van het brein. “De meeste mensen ervaren fantoompijn nadat een ledemaat is geamputeerd,” stelt Makin. In zo’n situatie komt de fysieke toestand (een arm die mist) niet overeen met de ervaren toestand (een arm die zeer doet). En dat lijkt verband te houden met verstoorde verbindingen in het brein. “Er lijken minder verbindingen te zijn tussen het deel van het brein dat het missende ledemaat aanstuurt en de rest van de hersenschors die betrokken is bij bewegingen.”

De onderzoekers hopen dat hun onderzoek er uiteindelijk toe leidt dat fantoompijn effectief behandeld kan worden. Ze hopen in een toekomstig onderzoek te achterhalen of het misschien mogelijk is om met hersenstimulatie de verbindingen tussen het deel van het brein dat het missende ledemaat aanstuurt en de hersenschors te verbeteren en zo de fantoompijn weg te nemen.