IJskristallen hoog in de atmosfeer zijn zeer waarschijnlijk de boosdoener.

Op beelden van het Deep Space Climate Observatory (kortweg: DSCOVR) zijn ze duidelijk te zien: schitteringen op aarde. Hoe ontstaan die toch? Het was een vraag die Carl Sagan in 1993 ook al bezighield. Niet door DSCOVR (die werd pas in 2015 gelanceerd), maar door de beelden die ruimtesonde Galileo van de aarde maakte. Op die beelden waren ook schitteringen te zien. Sagan dacht dat het kwam doordat water zonlicht reflecteerde.

Boven land
In eerste instantie dacht onderzoeker Alexander Marshak dat ook toen hij de schitteringen op beelden van DSCOVR zag. Tot hem opviel dat die schitteringen zich soms op het land bevonden. “Toen ik dat voor het eerst zag, dacht ik dat er misschien water was of dat een meer het zonlicht reflecteerde. Maar de schittering is best groot, dus dat kon het niet zijn.”

Galileo
Maar hoe ontstaan de schitteringen die Sagan in 1993 zag en die we nu opnieuw zien op de beelden van DSCOVR dan? Marshak heeft het uitgezocht. Hij boog zich daarbij eerst nog eens over de beelden van Galileo en moet concluderen dat ook daarop schitteringen op het land te zien zijn.

Onweer
Vervolgens verzamelde Marshak alle schitteringen die door DSCOVR boven land zijn gespot. Het waren zo’n 866 schitteringen. Marshak wilde eerst achterhalen of de schitteringen gereflecteerd zonlicht waren (en geen lichtflitsen die tijdens een heftige onweersbui kunnen ontstaan). Hij ging daartoe na of de schitteringen ontstaan waren op plekken waar de hoek tussen de zon en de aarde hetzelfde was als de hoek tussen de satelliet en de aarde (dan is de satelliet in staat om het gereflecteerde licht op te vangen). Dat bleek in alle gevallen zo te zijn. Dit was dus geen onweer.

IJs
Maar wat zorgde er dan voor dat het zonlicht gereflecteerd werd? Misschien was het toch water, maar dan hoger in de atmosfeer. Gelukkig is DSCOVR ook in staat om de hoogte van wolken te meten. Dus pakten de onderzoekers die data erbij. En ze ontdekten dat op de plekken waar schitteringen gespot waren elke keer wolkenpartijen te vinden waren die zich op zo’n 5 tot 8 kilometer hoogte ophielden. “De bron van de schitteringen bevindt zich duidelijk niet op de grond,” concludeert Marshak. De schitteringen ontstaan door ijsdeeltjes hoog in de atmosfeer. “Waarschijnlijk door zonlicht dat gereflecteerd wordt door horizontaal georiënteerde deeltjes.” Het betekent dat DSCOVR – die zo’n 1,6 miljoen kilometer van de aarde verwijderd is – dus in staat is om ijsdeeltjes in de atmosfeer te detecteren!

Marshak wil nu uit gaan zoeken of deze horizontaal georiënteerde ijsdeeltjes veelvuldig in de aardse atmosfeer voorkomen. Als dat zo is, kunnen ze namelijk wel eens een meetbare impact hebben op de hoeveelheid zonlicht die het aardoppervlak weet te bereiken. En in dat geval moeten we ze eigenlijk wel meenemen in computermodellen die gebruikt worden om vast te stellen hoeveel warmte de aarde bereikt en verlaat.