Het Engels rukt op. Wordt daarmee de ondergang van ons mooie Nederlands ingeluid? Of loopt het allemaal niet zo’n vaart?

We vroegen het professor Johan de Caluwe, verbonden aan de universiteit Gent en mede-auteur van de recent verschenen ‘Atlas van de Nederlandse taal‘. En hij wil allereerst even een groot misverstand uit de weg ruimen. “Veel mensen denken dat het Nederlands bedreigd wordt doordat we steeds meer Engelse woorden gebruiken,” weet hij. “Maar dat is niet zo. Want geen enkele taal gaat teloor door de opname van vreemde woorden. Sterker nog: het feit dat we vreemde woorden opnemen, getuigt van de levenskracht van het Nederlands. Want het stelt je in staat om alles te benoemen wat je wilt benoemen. Een taal die weigert om vreemde woorden op te nemen, zou er dus slechter voorstaan dan één die dat wel doet. Het is gewoon onbegonnen werk om voor elk mogelijk leenwoord een eigen woord te verzinnen, dat dan ook nog eens door iedereen aanvaard moet worden.””

Het machtsspel
Dat gezegd hebbende, moeten we echter wel erkennen dat het Engels de grootste concurrent is voor ons geliefde Nederlands. Niet omdat we zo af en toe wat Engelse woorden zoals ‘computer’ of ‘brainstorm’ door onze Nederlandse zinnetjes roeren, maar omdat het steeds geaccepteerder wordt om in bepaalde maatschappelijke domeinen volledig Engels te spreken. Je ziet dat nu bijvoorbeeld in het onderwijs gebeuren. Steeds meer opleidingen zijn compleet Engelstalig. “Op het moment dat je volledig Engels spreekt, kan het Nederlands zich niet aanpassen,” stelt De Caluwe. En aangezien ook de talen aan een survival of the fittest onderworpen zijn, kan het Nederlands – naarmate steeds meer maatschappelijke domeinen (denk aan de overheid, de gezondheidszorg, de wetenschap, enzovoort) aan het Engels worden prijsgegeven – in het gedrang komen.

“Het zijn disruptieve tijden: de verengelsing gaat op het moment erg snel”

“Het zijn disruptieve tijden: de verengelsing gaat op het moment erg snel. Eigenlijk is er op dit moment continu sprake van een machtsspel tussen het Nederlands en het Engels. En daarbij spelen drie factoren een rol. Allereerst het bereik, dat op te splitsen is in het communicatiebereik en het kwaliteitsbereik. Op het gebied van het communicatiebereik wint het Engels: daarmee kun je veel meer mensen bereiken. Op het gebied van het kwaliteitsbereik is het Nederlands in het voordeel, omdat voor de meeste mensen geldt dat schrijven, lezen en spreken ze in het Nederlands veel beter afgaat dan in het Engels. De tweede factor is de cultuurhistorische identiteit. Ook hier is het Nederlands in het voordeel, omdat we cultuurhistorisch gezien veel minder met het Engels hebben. En de derde factor is prestige. Je ziet steeds vaker dat men het prestigieus vindt om dingen in het Engels te doen. Universiteiten en scholen kloppen zich bijvoorbeeld op de borst als ze Engelse lessen geven.”

Waar gaat dat heen?
Grote vraag is natuurlijk waar dat heengaat. “Wat nu volgt is pure speculatie,” benadrukt De Caluwe. “Maar ik denk dat we afstevenen op een veralgemeende tweetaligheid.” In andere woorden: het wordt doodgewoon dat we straks vloeiend Nederlands én Engels spreken. En op het moment dat een Nederlander of Vlaming de Engelse taal vloeiend spreekt, zal gaandeweg ook steeds meer informatie exclusief in het Engels worden aangeboden. “En dan komt er een keer een moment dat ouders het niet langer de moeite vinden om Nederlands te spreken met hun kinderen.” En dat is de genadeslag. Want als een taal niet meer aan de volgende generatie wordt doorgegeven, gaat ‘ie dood.

Identiteit
Voor alle fervente fans van het Nederlands heeft De Caluwe echter ook nog goed nieuws. “Dat duurt nog heel lang.” Want wat je niet over het hoofd moet zien, is dat we wanneer we Nederlands spreken ook een stukje van onze identiteit overbrengen. Je kunt bijvoorbeeld vaak uit de tongval of het woordgebruik van mensen wel afleiden waar ze vandaan komen of hoe oud ze zijn. “Met het Engels kunnen we dat nog niet overbrengen. We moeten dus eigenlijk eerst een nieuwe identiteit opbouwen in het Engels. Pas als een nieuwe taal dat biedt, ben je namelijk bereid om de oude taal op te geven.”

In Vlaanderen

In Nederland gaat het verengelsen veel sneller dan in Vlaanderen. “Dat komt doordat de Vlamingen hard hebben moeten vechten voor het Nederlands en dat zeker niet zomaar prijs willen geven,” denkt De Caluwe. “Het Nederlands is voor hen meer een instrument voor maatschappelijke emancipatie.” Jarenlang weigerde de overheid in de Vlaamse provincies het Nederlands als officiële taal te erkennen en bleef zij stug in het Frans communiceren met de Vlamingen. “Pas sinds 1930 kunnen studenten in Vlaanderen aan een Nederlandstalige universiteit studeren.”

Het Nederlands is geen monument
Het mag dan langzaam gaan: de verre toekomst van het Nederlands is weinig rooskleurig. Maar De Caluwe kan daar niet wakker van liggen. “Je moet de Nederlandse taal niet zien als een monument,” vindt hij. In feite is ook het Nederlands maar een manier om je uit te drukken en als gaandeweg blijkt dat er effectievere manieren zijn om dat te doen: dan zij dat zo. “Als je Engels spreekt, ontstaan er nieuwe mogelijkheden. Als je het Nederlands vergelijkt met een fiets, dan is het Engels de elektrische fiets: je komt er veel verder mee.” Toch is er alle reden om de snelle verengelsing die zich nu met name in Nederland (zie kader) ontvouwt, nauwlettend in de gaten te houden. “We moeten oppassen dat het niet té snel gaat. Kijk, aan mijn universiteit (de Universiteit Gent, red.) wordt er in het Engels en Nederlands gecommuniceerd. Dus elke mail die ik krijg is in het Nederlands en in het Engels. Dat is niet erg.” Mensen die het Engels prima beheersen, kunnen ervoor kiezen de mailing in het Engels te lezen. En wie liever in het Nederlands communiceert, kiest voor de alternatieve versie. “Anders wordt het als in een vergadering de voertaal Engels is. Want dan zijn er in zo’n vergadering altijd mensen die heel goed Engels kunnen spreken en mensen die daar meer moeite mee hebben. Laatstgenoemden zwijgen dan maar.” In dat scenario belemmert de verengelsing mensen om hun volle potentie te bereiken. En dat is een probleem. “Over vijftig jaar is dat – als iedereen perfect tweetalig is – geen probleem meer. Maar nu moeten we oppassen dat we niet te snel gaan met het verengelsen en iedereen het bij kan blijven benen.”

Het gaat goed!
Zijn er naast het rap opkomende Engels nog andere ontwikkelingen waar we ons misschien enigszins zorgen over moeten maken? De Caluwe kan eigenlijk niets bedenken. “Ik denk dat het Nederlands er nog nooit zo goed voorgestaan heeft als nu. We hebben een enorme en groeiende woordenschat en de taal wordt in duizenden domeinen – van tuinieren tot astronomie – gebruikt en er wordt ook heel creatief mee omgesprongen.” Dat het zo goed gaat met onze taal schrijft hij toe aan twee ontwikkelingen: de opkomst van de nieuwe media en een “spectaculaire informalisering”. “Als je in de jaren zestig thuiskwam uit je werk, kon je kiezen uit twee tv-zenders. Je las altijd dezelfde krant en je maakte een praatje met de buren. Nu kun je via je computer, telefoon en het internet veel meer kennis tot je nemen en met veel mensen communiceren.” Je komt zo automatisch in aanraking met meer woorden en schrijfstijlen, die je deels misschien ook weer wel zelf gaat gebruiken. “En dan is er nog die andere trend: de spectaculaire informalisering van de omgangsvormen. Je ziet het op tv, maar ook op Twitter en Facebook: alles wat je privé zegt, zeg je ook publiekelijk.” Sommige mensen zeggen dan: het Nederlands verloedert. Onzin, vindt De Caluwe. Want wat we nu op Twitter gooien, ventileerden we vijftig jaar geleden ook tijdens een borrel met vrienden. “Eigenlijk zie je nu pas wat er vroeger gezegd, maar niet geschreven werd.” Die informalisering ziet De Caluwe ook terug in de kranten. “Vroeger was de wetenschapsbijlage van mijn krant heel ernstig. Nu is deze heel informeel: journalisten schrijven het op zoals ze het ook aan hun vrienden zouden vertellen.” Kortom: het Nederlands ontwikkelt zich en dat getuigt van vitaliteit.

We hoeven het Nederlands voorlopig dan ook nog niet tot de bedreigde talen te rekenen. “Ik ken geen Nederlandstalige ouders die er op dit moment voor kiezen om hun kinderen niet Nederlandstalig op te voeden. Dat betekent dat deze generatie het Nederlands nog meekrijgt en zo slaan we gelijk een brug naar de 22e eeuw. Want de levensverwachting van de kinderen die nu geboren worden, ligt tussen de 90 en 100 jaar.” Tot 2117 zitten we dus goed.

Over taal
Dit artikel is het slotstuk in een drieluik over taal. Eerder kon je op Scientias.nl al alles lezen over de ondergang van de dialecten in Nederland en de zin en onzin van spelling.