Hoe kan ons brein het verstrijken van tijd meten? Een lastige vraag. Maar wetenschappers zijn dankzij een interessant experiment met apen een stukje dichter bij een antwoord in de buurt gekomen. Ze vonden hersencellen die betrokken lijken te zijn bij het meten van tijd.

De onderzoekers leerden de apen om regelmatig (om een x aantal minuten) hun ogen op een specifieke manier te bewegen, zonder dat de apen daarvoor extern aanwijzingen of een beloning kregen. Opvallend genoeg lukte dat: de apen wisten de bewegingen van de ogen heel nauwkeurig te timen. Blijkbaar wisten ze zelf heel goed hoeveel tijd er verstreken was en wanneer ze de beweging weer moesten maken.

De onderzoekers bestudeerden ook de hersenen van de apen en ontdekten dat een specifiek deel van het brein: het laterale intraparietale gebied, opvallende activiteit vertoonde. Tijdens eerdere onderzoeken was dit deel van het brein ook al in verband gebracht met het meten van tijd. Opvallend genoeg leverde dit onderzoek – waarbij het in tegenstelling tot eerdere onderzoeken wel gelukt was om externe aanwijzingen en beloningen geen rol te laten spelen in het experiment – wel hele andere resultaten op. In vorige onderzoeken werd dit deel van het brein steeds actiever naarmate de tijd verstreek. “Wij ontdekten dat de activiteit van het laterale intraparietale gebied tussen twee getimede bewegingen heel constant afnam,” vertelt onderzoeker Geoffrey Ghose. “De timing van de dieren verschilde afhankelijk van of de neuronen actiever of juist minder actief waren. Het lijkt wel alsof de activiteit van deze neuronen dienst deed als een interne zandloper.”

Het laterale intraparietale gebied wordt in verband gebracht met bewegingen van de ogen. Het onderzoek wijst er dan ook op dat het brein niet over een centrale klok beschikt, maar dat elk deel van de hersenen dat weer verantwoordelijk is voor verschillende activiteiten onafhankelijk van andere delen van het brein een accuraat tijdsignaal af kan geven. Uit nader onderzoek moet blijken hoe zo’n signaal ontstaat (is dat aangeleerd of een kwestie van ervaring opdoen?) en of een wijziging van deze signalen ook echt resulteert in ander gedrag.