Het gaat om een groep Denisovamensen die zó anders is dat we ze eigenlijk als een aparte soort moeten bestempelen.

Verschillende studies hebben de laatste jaren op overtuigende wijze aangetoond dat moderne mensen in een grijs verleden de lakens deelden met Neanderthalers én Denisovamensen (waarvan resten teruggevonden zijn in Siberië). Maar een nieuw paper, verschenen in het blad Cell, maakt het hele verhaal nu nog wat complexer. Moderne mensen hebben in het verleden namelijk seks gehad met minstens twee groepen Denisovamensen, waarvan er eentje genetisch gezien zo sterk van de ander afwijkt, dat we deze eigenlijk als een aparte soort zouden moeten bestempelen.

Twee groepen
Onderzoekers trekken die conclusie nadat ze onder meer het DNA van moderne Papoea’s bestudeerden. In dat DNA troffen ze sporen aan van twee verschillende groepen Denisovamensen. Deze twee groepen zouden zeker 350.000 jaar lang geen contact met elkaar hebben gehad en in die periode zodanig uit elkaar zijn gegroeid dat de ene lijn als een aparte soort kan worden gezien.


Azië
Het onderzoek wijst verder uit dat met name één van de twee groepen Denisovamensen behoorlijk wat sporen naliet in het genoom van de Papoea’s. Het suggereert dat deze groep Denisovamensen op Nieuw-Guinea – of omringende eilanden – leefde. “Mensen zijn geneigd te denken dat de Denisovamensen op het Aziatische vasteland of in het hoge noorden leefden,” aldus onderzoeker Murray Cox. Maar juist in tropisch Azië was blijkbaar sprake van een enorme diversiteit onder Denisovamensen. “Sterker nog: deze diversiteit lijkt in Maritiem Zuidoost-Azië en op Nieuw-Guinea veel langer stand te hebben gehouden dan elders op aarde,” stelt Cox. Zo hebben de onderzoekers aanwijzingen gevonden dat Denisovamensen tot zo’n 30.000 jaar geleden in dit gebied te vinden waren.

Volgens de wetenschappers laten hun verrassende onderzoeksresultaten vooral zien dat het betreffende deel van de wereld als het om mensachtigen gaat nog nauwelijks bestudeerd is. Veel onderzoek naar oude mensachtigen vindt plaats in Europa en het noorden van Eurazië, wat deels te verklaren is doordat de kou aldaar ervoor zorgt dat DNA in oude botten beter bewaard blijft.