Botten werden gebruikt als ‘blikken’ waardoor het beenmerg gedurende een lange tijd houdbaar bleef.

Als we restjes over hebben bewaren we dit in de koelkast of zelfs in de vriezer waar het voor lange tijd goed blijft. Maar ook de prehistorische mens wist al raad met kliekjes. Onderzoekers hebben bewijs gevonden dat vroege paleolithische mensen die de Qesem-grot bewoonden al wisten hoe ze het beste voedsel konden bewaren. “Dit is het oudste bewijs van dergelijk gedrag,” aldus onderzoeker Ruth Blasco.

Qesem-grot
De onderzoekers namen in hun studie de Qesem-grot onder de loep. Dit is een Israëlische archeologische opgravingsplek die zich zo’n 12 kilometer van de stad Tel Aviv bevindt. De grot werd tussen 400.000 en 200.0000 jaar geleden bewoond door de vroeg moderne mens. Onderzoekers hebben in deze grot al veel belangrijke ontdekkingen gedaan die ons meer konden vertellen over het leven aan het einde van de Oude Steentijd. En daar komt er nu dus nog eentje bij. “Prehistorische mensen brachten geselecteerde ledematen van de gejaagde kadavers naar de grot,” legt onderzoeker Jordi Rosell uit. “De meest voorkomende prooi was het damhert. We ontdekten dat de beenderen van de herten unieke haksporen bevatten. Deze verschillen van de sporen die gewoonlijk achterblijven nadat een dier gestript is om het beenmerg te extraheren.”


Beenmerg
Beenmerg vormde destijds een belangrijke voedingsbron en stond dan ook al enige tijd op het menu van de prehistorische mens. “Tot nu toe had men alleen bewijs gevonden dat oermensen het merg onmiddellijk oppeuzelden,” zegt onderzoeker Ran Barkai. “Maar in onze studie presenteren we bewijs dat dit merg werd bewaard en later werd opgegeten.” En dat is best bijzonder. Tot voor kort werd geloofd dat paleolithische mensen jagers-verzamelaars waren die alles opaten wat ze die dag konden vinden. Soms moesten ze daarom lange periodes van honger doorstaan wanneer voedselbronnen schaars waren. Maar dat blijkt nu dus toch anders te zitten.

Bewaren
De onderzoekers beweren dat de hertenbeenderen naar de grot werden meegenomen en vervolgens werden afgedekt met huiden. “De botten werden gebruikt als blikken,” zegt Barkai. “Hierdoor kon het beenmerg gedurende een lange periode bewaard worden.” Dit stelde de vroeg moderne mens in staat om het moment te kiezen waarop ze het beenmerg wilden nuttigen. “Als het tijd was namen ze de droge huid weg, braken het bot en aten het merg op,” legt Barkai uit. Volgens de onderzoekers kon het merg tot wel negen weken bewaard worden.

Dit beenmerg is zes weken lang in een bot bewaard. Afbeelding: Dr. Ruth Blasco/AFTAU

Waarom?

De vraag is natuurlijk waarom deze oermensen zo slim waren om eten te bewaren. En dat heeft er waarschijnlijk mee te maken dat olifanten – voorheen een belangrijke voedselbron voor oermensen – niet langer beschikbaar waren. Hierdoor moesten de prehistorische mensen in de regio nieuwe manieren verzinnen om in leven te blijven. Dit leidde ertoe dat de mens evolueerde en een veel verfijnder soort sociaal-economisch bestaan aanging.

Slim
Het betekent dat vroege paleolithische mensen eigenlijk veel slimmer waren dan we tot nu toe dachten. “We laten voor het eerst zien dat de prehistorische mensen in de Qesem-grot 420.000 tot 200.000 jaar geleden geavanceerd, intelligent en getalenteerd genoeg waren om te weten dat het mogelijk was om bepaalde botten van dieren onder specifieke omstandigheden te bewaren,” zegt onderzoeker Avi Gopher. Deze ontdekking sluit aan bij ander bewijs van innovatief gedrag in de Qesem-grot. Zo wist men ook al af van recycling, maakten ze al regelmatig gebruik van vuur en kookten en braadden ze vlees.

Damherten waren niet de enige dieren die op het menu stonden van de bewoners van de Qesem-grot. Ze deden zich namelijk ook graag te goed aan landschildpadden. En dat is best verrassend. Zo werd gedacht dat mensen in de oude steentijd voornamelijk groot wild en planten aten. Maar ontdekte sporen wijzen erop dat ook schildpadden een lekkernij waren.