ondervraging

Je kunt mensen zo ondervragen over een zwaar misdrijf dat ze binnen enkele uren onterecht gaan geloven dat ze dat misdrijf zelf gepleegd hebben en ‘bekennen’. Dat blijkt uit een nieuw onderzoek.

Onderzoekers van de University of British Columbia in Canada legden ouders en verzorgers van studenten een vragenlijst voor waarin ze gevraagd werden naar specifieke gebeurtenissen die de studenten tussen hun elfde en veertiende jaar kunnen hebben meegemaakt. De ouders en verzorgers mochten de vragenlijsten niet bespreken met de studenten.

Studenten
Vervolgens haalden de onderzoekers de studenten naar het laboratorium. Daar kreeg elke student twee verhalen te horen die hij of zij als tiener had meegemaakt. Slechts één van de twee verhalen was echt gebeurd. Het verzonnen verhaal ging over een misdaad die resulteerde in contact met de politie (bijvoorbeeld een diefstal of een gewapende aanval) of over een emotionele gebeurtenis (bijvoorbeeld een aanval door een hond of een verwonding). Een belangrijk detail is dat de verzonnen verhalen enkele details bevatten die wél klopten en stamden uit de vragenlijsten die de ouders en verzorgers hadden ingevuld. De proefpersonen kregen de twee verhalen te horen en moesten verklaren wat er in beide verhalen gebeurde. Wanneer ze het moeilijk vonden om het verzonnen verhaal te verklaren, moedigden de onderzoekers ze aan om dat toch te doen en vertelden dat ze specifieke geheugenstrategieën konden gebruiken om zich toch meer details te kunnen herinneren. Er volgde nog een tweede en derde ondervraging waarin de studenten opnieuw gevraagd werd om zich zo veel mogelijk te herinneren over de twee gebeurtenissen die de onderzoekers wilden bespreken. Naast het verklaren van de gebeurtenissen, moesten de studenten ook aangeven hoe levendig hun herinneringen aan die gebeurtenis waren en hoe zeker ze er van waren dat de herinneringen klopten.

Echt versus onecht
De herinneringen die studenten hadden aan gebeurtenissen die nooit hadden plaatsgevonden, waren heel levendig en gedetailleerd. Toch verschilden ze wel iets van de herinneringen aan gebeurtenissen die wél hadden plaatsgevonden. Zo vertelden de studenten meer gedetailleerd over echte herinneringen en gaven ze aan ook iets zekerder te zijn over die herinneringen.

Resultaten
De resultaten zijn opvallend. Van de dertig proefpersonen die te horen kregen dat ze als tiener een misdaad hadden begaan, ontwikkelden 21 studenten (71 procent) herinneringen aan de misdaad die ze niet begaan hadden. En van de 20 studenten die te horen kregen dat ze iemand anders hadden aangevallen (al dan niet met een wapen) vertelden elf studenten uitgebreid over zelfs de kleinste details die betrekking hadden op hun contact met de politie naar aanleiding van die aanval (die dus nooit had plaatsgevonden). Een vergelijkbaar deel van de studenten (76,67 procent) ging geloven dat ze het slachtoffer waren geworden van een emotionele gebeurtenis, terwijl die nooit had plaatsgevonden.

Verklaren
De onderzoekers denken de resultaten wel te kunnen verklaren. Door een verzonnen verhaal aan te vullen met details die wel echt hebben plaatsgevonden, zijn de studenten het verhaal waarschijnlijk plausibel gaan vinden.

Het onderzoek heeft duidelijk implicaties voor politie-onderzoeken, maar ook voor andere situaties waarin mensen gevraagd wordt naar hun herinneringen (denk aan therapie). “Begrijpen dat deze complexe foute herinneringen bestaan en dat ‘normale’ individuen ze gemakkelijk kunnen generen, is de eerste stap om te voorkomen dat dat gebeurt,” stelt onderzoeker Julia Shaw.