schijfsterrenstelsel

Wetenschappers hebben voor het eerst aangetoond dat sterrenstelsels door hun leven heen van vorm kunnen veranderen.

Onderzoekers trekken die conclusie nadat ze 10.000 sterrenstelsels die zich nu in het universum bevinden, bestudeerden. En daarnaast met behulp van Hubble en Herschel sterrenstelsels bestudeerden die op vele miljarden lichtjaren afstand van ons staan. Omdat het licht van deze sterrenstelsels er miljarden jaren over doet om hier te komen, zien we de sterrenstelsels zoals deze er miljarden jaren geleden uitzagen. Hoe verder je kijkt, hoe verder je dus terug in de tijd gaat. De onderzoekers richtten zich voor dit onderzoek op sterrenstelsels die kort na de oerknal ontstonden.

Twee vormen
Alle sterrenstelsels zijn grofweg onder te verdelen in twee ‘vormen’: roterende schijfsterrenstelsels (zoals onze Melkweg) en grote elliptische sterrenstelsels. Uit het onderzoek blijkt dat ongeveer 83 procent van alle sterren die sinds de oerknal zijn ontstaan, zich in eerste instantie in een schrijfsterrenstelsel bevonden. Maar wanneer we naar de hedendaagse situatie kijken, zien we dat slechts 49 procent van de sterren die vandaag de dag in het universum te vinden zijn, deel uitmaken van een schijfsterrenstelsel. Alle andere sterren bevinden zich in een elliptisch sterrenstelsel.

WIST JE DAT…
…wetenschappers onlangs de meest compacte sterrenstelsels ooit hebben ontdekt? De sterrenhemel moet er duizelingwekkend zijn!

Hoe?
Het onderzoek suggereert dat schijfsterrenstelsels een enorme transformatie kunnen ondergaan waarbij ze veranderen in een elliptisch sterrenstelsel. Hoe die transformatie precies plaatsvindt, is niet duidelijk. Het kan zijn dat de verandering plaatsvindt wanneer twee schijfsterrenstelsels met elkaar in botsing komen en fuseren. Tijdens die fusie zouden de schijven vernietigd worden en blijft een enorme hoop sterren over (een elliptisch sterrenstelsel). Een andere mogelijkheid is dat de transformatie een stuk gemoedelijker verloopt: sterren die in de schijf ontstaan zouden volgens deze theorie geleidelijk aan naar het centrum van de schijf reizen, waardoor eveneens een opeenhoping van sterren ontstaat.

“Veel mensen hebben eerder beweerd dat deze transformaties plaatsvinden, maar door Herschel en Hubble met elkaar te combineren hebben we nu voor het eerst op accurate wijze de omvang van deze transformatie kunnen meten,” stelt onderzoeker Steve Eales.