Een toets maken en het boek met alle antwoorden erbij mogen houden: openboektoetsen worden vaak als te gemakkelijk gezien. Onterecht, zo concludeert onderzoeker Marjolein Heijne-Penninga. Volgens de wetenschapper leren studenten op lange termijn zelfs meer van de openboektoetsen, omdat ze gedwongen worden om verbanden te leggen.

Heijne-Penninga bestudeerde zowel openboektoetsen als geslotenboektoetsen en keek wat een grote groep geneeskundestudenten ervan opstak. Ze concludeert dat openboektoetsen ervoor zorgen dat studenten meer grip krijgen op de stof. Ze worden namelijk gedwongen om verbanden te leggen. Als ze later iets uit hun geheugen opdiepen, komt niet alleen het feitje, maar ook het grotere verband naar boven. En dat is een stuk efficiënter.

Verband
Dat wil niet zeggen dat alle hogescholen en universiteiten nu en masse op de openboektoetsen moeten overstappen. De toetsen werken namelijk alleen wanneer studenten in staat zijn om het grotere verband te zien. Over het algemeen zijn ze daar de eerste drie jaar van hun studie nog niet tot in staat. Daarom is het volgens Heijne-Penninga raadzaam om de openboektoetsen pas vanaf het vierde studiejaar te introduceren.

WIST U DAT…

…een pasgeboren baby in zijn slaap leert?

Niet te lang
Heijne-Penninga heeft nog wel een verbeterpuntje voor de openboektoetsen: ze moeten niet al te lang duren. De toetsen zijn bedoeld om studenten zover te krijgen dat ze samenvattingen maken en andere literatuur bestuderen. Dat gebeurt niet als studenten weten dat ze tijdens het tentamen alle tijd hebben om alles op te zoeken.

Volgens Heijne-Penninga zijn openboektoetsen hoe dan ook de toekomst. Er komt steeds meer kennis en het is onmogelijk voor studenten om al die feitjes te onthouden. Zeker omdat de kennis ook nog eens voortdurend verandert. De juiste verbanden kunnen leggen en associëren is in zo’n maatschappij volgens Heijne-Penninga belangrijker dan feitjes stampen. Bovendien zijn de openboektoetsen qua moeilijkheidsgraad en kwaliteit vergelijkbaar met geslotenboektoetsen.