rsz_orangutan-571462_1280

Orang-oetans op Borneo slingeren niet langer standaard van boom naar boom, maar maken steeds vaker gebruik van de wegen die in hun leefgebied worden aangelegd. Dat blijkt uit onderzoek. Blijkbaar is hun aanpassingsvermogen groter dan gedacht.

Onderzoekers trekken die conclusie nadat ze orang-oetans op Kalimantan – het Indonesische deel van Borneo – bestudeerden. Gedurende 2,5 jaar richtten ze zich op de primaten in het 38.000 hectare grote regenwoud op het oostelijke deel van Kalimantan. Tot hun grote verbazing reisden de orang-oetans regelmatig te voet – en dus over de grond – en maakten ze daarbij ook vaak gebruik van de wegen die rondom het regenwoud ten behoeve van de houtkap zijn aangelegd.

De observaties zijn verrassend. Gedacht werd namelijk dat de orang-oetan voornamelijk in de bomen huisde en slechts zo heel af en toe over de grond reisde. “We wisten dat grote mannetjes geneigd zijn om over de grond te lopen,” vertelt onderzoeker Brent Loken. “Maar wij hebben ontdekt dat mannetjes en vrouwtjes, zelfs vrouwtjes met jongen, bijna net zo vaak over de ontstane wegen en sporen lopen.”

Het onderzoek suggereert dat orang-oetans proberen om zich aan te passen aan de veranderingen in hun leefgebied dat steeds meer te lijden heeft onder de invloed van mensen. Het zou betekenen dat het aanpassingsvermogen van de orang-oetans groter is dan gedacht. “We moeten echter voorzichtig zijn met het idee dat orang-oetans kunnen overleven in een door mensen veranderd landschap,” waarschuwt Loken. “Ze hebben nog steeds heel veel bomen nodig en de bescherming van het resterende bos op Borneo blijft een prioriteit voor Indonesië en de rest van de wereld.”