Het is een oude discussie in Nederland: mogen oudere vrouwen nog wel zwanger worden? Het nee-kamp heeft er sinds vandaag weer een goed argument bij. Zo blijken de nakomelingen van oudere koolmeesvrouwtjes veel minder succesvol te zijn dan die van jongere moeders. Vooral in de latere fases van het opvoeden gaat het mis, concludeert biologe Sandra Bouwhuis.

Koolmezen worden ongeveer negen jaar oud, maar het broedsucces neemt vanaf de tweede levensjaar flink af. Toch blijven oude mezen jaarlijks proberen om zwanger te worden. “Tot het bittere eind gaan ze door”, zegt Bouwhuis van de Rijksuniversiteit Groningen.

Aan het begin van de broedperiode is er nog weinig verschil tussen de nesten van oude en jonge vrouwtjes. Pas na het uitvliegen vindt er massale sterfte plaats. Bouwhuis: “Juist in de eerste weken na het uitvliegen moeten de ouders hun jongen nog begeleiden. Die begeleiding laat bij de oude moeders wellicht te wensen over; de jongen vallen bijvoorbeeld ten prooi aan sperwers. Of misschien hebben de oudjes minder gunstige plekken in het bos weten te bemachtigen.”

Wegwerplichaam
Bouwhuis toonde tevens aan dat het voor de mezen gunstig is om al in de eerste twee levensjaren zo veel mogelijk te investeren in nageslacht. Deze koolmezen verouderen wel sneller, maar ze krijgen uiteindelijk wel de meeste nakomelingen “De kosten wegen dus op tegen de baten”, zegt Bouwhuis. “Het is de theorie van het ‘wegwerplichaam’: investeren in nakomelingen in plaats van in lichaamsonderhoud.” Het is nog onduidelijk waarom niet alle koolmezen deze techniek volgen.

Grijze veren
Wellicht is het beter voor koolmeesmannen om te investeren in jonge koolmeesvrouwen. Maar hoe zijn oudere vrouwtjes te spotten? Heel moeilijk, zo concludeert Bouwhuis. “Ze hebben in ieder geval geen overduidelijke ouderdomskenmerken zoals rimpels of grijze veren. Er wordt momenteel wel onderzocht of de gele borstveren veranderen naarmate de mezen ouder worden. Het zou namelijk kunnen zijn dat de bejaarde mezen verouderingstekenen vertonen die voor ons helemaal niet opvallen, terwijl ze voor de koolmezen zelf overduidelijk zijn.”