Ouders die excelleren in wiskunde geven deze gave door aan hun kinderen. Dit blijkt uit nieuw onderzoek van de universiteit van Pittsburgh.

De onderzoekers voerden kleinschalige experimenten uit met 54 kinderen in de leeftijd van 5 tot 8 jaar en 51 ouders. Zij kregen verschillende opdrachten voorgeschoteld. De kinderen scoorden vaak net zo goed als hun ouders. Wanneer ouders een goed intuïtief gevoel hebben voor cijfers – bijvoorbeeld het verschil zien tussen tien knikkers en twintig knikkers zonder ze te tellen – dan hebben hun kinderen dit ook.

Waarschijnlijk gebeurt de overdracht van de wiskundeknobbel op twee manieren. Ten eerste erft het kind de juiste genen van zijn ouders. Daarnaast is de omgeving belangrijk. De ouders vinden wiskunde waarschijnlijk leuk en helpen het kind in zijn thuisomgeving vooruit. Het kind leert hierdoor ook buiten school. “Dit onderzoek heeft gevolgen op hoe ouders met hun kinderen over wiskunde en over cijfers praten”, vertelt wetenschapper Melissa E. Libertus.

Helemaal nieuw is het verband tussen genen en wiskunde niet. Twee jaar geleden kwamen wetenschappers van de staatsuniversiteit van Ohio erachter dat angst voor wiskunde deels in de genen zit. De genen beïnvloeden de angst op twee manieren. Ten eerste bepalen de genen deels hoe goed mensen in wiskunde zijn. Iemand die niet goed is in wiskunde, ontwikkelt hier sneller een angst voor, bijvoorbeeld door een slechte ervaring tijdens een wiskundeles.

Maar wat is belangrijker: de omgeving of de genetische aanleg? Hiervoor is vervolgonderzoek nodig. Hopelijk zetten de onderzoekers dan ook meer proefpersonen in.