BIOLOGIE   Er bestaan vele vooroordelen over wat het voor gevolgen heeft als u de oudste, jongste of middelste in het gezin bent. Onderzoek ondersteunt nu een deel daarvan. Zo is de oudste minder coöperatief, minder bereid om iets terug te doen voor de ander en minder naïef dan hun jongere broer of zus.

Bioloog Alexandre Courtiol van de Universiteit van Montpellier 2 in Frankrijk deed samen met zijn collega’s onderzoek om stereotyperingen te kunnen bevestigen of verwerpen. Hij vroeg 510 studenten om in tweetallen een spelletje te spelen. Beide spelers kregen 3 euro. Speler 1 (de investeerder) kon zijn geld aan speler 2 (de bankier) geven. Speler 2 zou dat geld dan verdriedubbelen, maar hij of zij was niet verplicht om dat gehele of een deel van dat bedrag terug te geven. De gift van de investeerder zou daarmee een geste van vertrouwen zijn. En als speler 2 wel geld terug geeft, kan de bereidheid om iets terug te doen, gemeten worden. De onderzoekers selecteerden de ‘spelers’ willekeurig. De twee spelers kregen elkaar ook niet te zien voor of tijdens het spel.

Na afloop werden alle resultaten verzameld en gekoppeld aan de persoonlijke gegevens (oudste, jongste of middelste van het gezin). De eerstgeborenen die speler 1 waren geweest, vertrouwden speler 2 veel minder dan jongere of middelste kinderen. Dat bleek uit het feit dat de oudste zo’n 25 procent minder geld aan speler 2 afstond. Daarnaast gaven eerstgeborenen ook veel minder geld terug, wanneer zij bankier waren: gemiddeld zo’n 22 tot 29 procent minder dan de jongere of middelste broers en zussen.
Hierbij bleek de volgorde van geboorte veel doorslaggevender te zijn dan andere factoren zoals leeftijd, geslacht, inkomen of religie.

De resultaten werken een ander vooroordeel: de oudste in het gezin neemt altijd grotere risico’s wellicht (deels) weg. Want risico’s hangen nauw samen met samenwerking. Als u met iemand in zee gaat, moet u tenslotte altijd maar afwachten of u er iets voor terug krijgt.

Volgens de onderzoekers heeft de weinige bereidheid van eerstgeborenen om samen te werken, te maken met de dynamiek in het gezin. Als de oudste een broertje of zusje krijgt, wordt de aandacht van de ouders voor de oudste opeens minimaal gehalveerd. Daardoor voelt het eerste kind zich genoodzaakt om de competitie met de andere kinderen aan te gaan en zal hij of zij ook minder snel samenwerken.

Volgens persoonlijkheidsonderzoeker Del Paulhus van de University of British Columbia kunnen de resultaten ook anders geïnterpreteerd worden. Hij vermoedt dat de eerstgeborene geen samenwerker is, omdat hij of zij voordat er een broertje of zusje is dat helemaal niet heeft kunnen leren.

Er namen aan het onderzoek ook studenten deel die enig kind waren. Zij hadden de competitieve factor en weinige bereidheid om niet samen te werken niet, maar functioneerden net zoals de middelste of oudste uit de andere gezinnen. De onderzoekers concluderen daaruit dat coöperatief gedrag niet is aangeboren, maar echt door de omstandigheden (lees: broers en/of zussen) wordt gecreëerd.