In de resten van een 5000 jaar oude jager en verzamelaar hebben wetenschappers de oudste peststam ooit ontdekt. De ontdekking geeft meer inzicht in hoe de pest – die in de Middeleeuwen de helft van de Europeanen fataal zou zijn geworden – evolueerde.

Wie aan de pest denkt, denkt ongetwijfeld aan de Middeleeuwse prenten waarop talloze mensen met grote bulten op het lichaam op bed rusten en de dood – in de vorm van een skelet of man met een zeis – vaak pontificaal staat afgebeeld. Het maakt in één oogopslag duidelijk dat de ziekte – veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis – in razend tempo om zich heen greep en in korte tijd veel dodelijke slachtoffers maakte. Maar zo is het niet altijd geweest, zo tonen onderzoekers in het blad Cell Reports aan.

Jagers en verzamelaars
In het blad presenteren ze de ontdekking van de oudste stam van Yersinia pestis die tot op heden is teruggevonden. De stam is aangetroffen in de resten van een jager en verzamelaar die zo’n 5000 jaar geleden leefde in wat nu Letland is.

De resten van de man werden aan het einde van de negentiende eeuw – samen met de resten van een tweede overledene – al opgegraven. Kort na de opgravingen verdwenen de resten, om in 2011 weer op te duiken in de privécollectie van een Duitse antropoloog. Na de herontdekking van de resten van de twee jagers en verzamelaars volgden nieuwe opgravingen in hetzelfde gebied. Het resulteerde in de ontdekking van nog twee overledenen die waarschijnlijk deel uitmaakten van dezelfde groep jagers en verzamelaars. Duitse onderzoekers besloten het genoom van de vier in kaart te brengen en gelijk na te gaan welke bacteriën en virussen de vier op het moment van hun overlijden bij zich droegen. En zo ontdekten ze bij één van de jagers en verzamelaars Y. pestis.

Dicht bij de oorsprong
Daarop werd ook het genoom van deze bacterie in kaart gebracht en vergeleken met dat van andere oude varianten. Al snel bleek de stam die de 5000 jaar oude jager en verzamelaar bij zich droeg, de oudste stam te zijn die onderzoekers tot op heden in handen hebben gehad. “Het lijkt erop dat we hiermee echt dicht tegen de oorsprong van de bacterie aanzitten,” zo stelt onderzoeker Ben Krause-Kyora.

Paar missende genen
Wat de onderzoekers verder verraste, is dat deze 5000 jaar oude bacteriestam al heel sterk lijkt op de stam die in de Middeleeuwen zo ongenadig hard toesloeg in Europa. “In deze vroege stam zien we min of meer al de complete genetische set van Y. pestis,” aldus Krause-Kyora. “Er missen slechts een paar genen.”

Besmettelijker en dodelijker
Maar het zijn wel net genen die een grote impact hebben op de verspreiding en ernst van de pest. Zo mist de 5000 jaar oude bacteriestam het gen dat ervoor zorgde dat vlooien de pestbacterie konden verspreiden. Het is dit gen dat ervoor zorgde dat de bacterie heel efficiënt op mensen kon worden overgedragen (zie kader).

De pest komt niet alleen onder mensen voor; meer dan 200 zoogdiersoorten zijn bekend met de ziekte. Eén van de bekendere soorten die door de ziekte getroffen kan worden, is de rat. Aangenomen wordt dat vlooien er in de Middeleeuwen voor zorgden dat de ziekte zich van ratten naar mensen verplaatsten. Vlooien zogen het bloed van zieke ratten – met daarin de pestbacteriën – op. Wanneer de ratten door toedoen van de pest dood gingen, moesten de vlooien op zoek naar een nieuwe gastheer. Daarop sprongen ze over op mensen die na een beet van de vlo besmet raakten. De pestbacteriën werden door de vlooien onderhuids gebracht en reisden naar de lymfeklieren, die daarna opzwollen, waardoor de zo bekende builen op het lichaam ontstonden. Deze zogenoemde builenpest ontstond dus ook pas toen vlooien in staat waren om de bacteriën op mensen over te dragen.

Mogelijk werd de pest met de opkomst van het gen dat de verspreiding van de ziekte via vlooien mogelijk maakte, ook dodelijker. Want, zo benadrukken de onderzoekers, de door vlooien gefaciliteerde verspreiding van de pest vereist dat de gastheer stierf. Alleen dan gingen de vlooien – met de pestbacterie op zak – immers op zoek naar nieuwe slachtoffers.

Niet besmettelijk en niet gelijk ernstig ziek
Maar de pestbacterie die de jager en verzamelaar 5000 jaar geleden opliep, had deze mutaties dus nog niet ondergaan. Welke impact de bacterie op de jager en verzamelaar had, is lastig vast te stellen. Maar de onderzoekers gaan er wel van uit dat de jager en verzamelaar uiteindelijk door toedoen van de bacterie is overleden. Y. pestis werd namelijk in zijn bloedbaan aangetroffen. Maar in tegenstelling tot Middeleeuwse slachtoffers – die vaak al vrij snel na besmetting overleden – kan de jager en verzamelaar wel eens enige tijd met de bacterie hebben geleefd. Zo wijzen de onderzoekers erop dat er een groot aantal pestbacteriën in de bloedbaan zijn aangetroffen en in eerdere dierenstudies werd een dergelijke hoge ‘bacteriële lading’ van Y. pestis juist geassocieerd met een minder agressieve infectie.

Geïsoleerd ziektegeval
Wat daarnaast veelzeggend is, is dat de jager en verzamelaar met zorg begraven is. Het wijst erop dat zijn nabestaanden niet bang waren om besmet te worden. Ook het feit dat de drie anderen die in de nabijheid van de besmette jager en verzamelaar ter ruste werden gelegd de bacterie niet bij zich dragen, onderschrijft het idee dat er geen sprake was van een zeer besmettelijke versie van de pest – ook wel longpest genoemd – waarbij de bacteriën zich in de longen vestigden en via kleine druppeltjes (die vrijkomen bij hoesten of niesen) van mens op mens konden overspringen. In plaats daarvan lijkt de ziekte veroorzaakt te zijn door een beet van een besmet knaagdier en zich niet verder dan deze ene jager en verzamelaar te hebben verspreid. “Geïsoleerde gevallen waarbij de ziekte van dier op mens overspringt, kunnen verklaren waarom we deze ziekte in zoveel verschillende milieus hebben ontdekt,” aldus Krause-Kyora. “We treffen de ziekte onder herders op de steppe aan, bij vissende jagers en verzamelaars, onder boeren – totaal verschillende sociale settings en toch altijd het spontane ontstaan van gevallen van Y. pestis.”

Het idee dat Y. pestis in het begin een traag ziekteverloop kende en zich nauwelijks verspreidde, staat haaks op veel theorieën die in de afgelopen decennia over de gevreesde ziekte zijn bedacht. Zo stelden sommige historici dat infectieziekten zoals Y. pestis lang geleden voornamelijk evolueerden in megasteden (meer dan 10.000 inwoners) nabij de Zwarte Zee. Maar hier treffen we de ziekte – die genetisch nauwelijks verschilt van de versie die in de Middeleeuwen voor zoveel ellende zorgde – aan bij een jager en verzamelaar die leefde lang voor de grote steden het levenslicht zagen. Ook tornt het onderzoek aan het idee dat Y. pestis aan het eind van de nieuwe steentijd (zo’n 3000 jaar voor Christus) tot grote bevolkingsafnames in het westen van Europa leidde. De ziekte was in die tijd immers nog lang niet zo besmettelijk en dodelijk als in de Middeleeuwen.