Blijkbaar vlogen er 200 miljoen jaar geleden al vlinders rond!

Tot die conclusie komt een internationaal team van onderzoekers – waaronder ook enkele wetenschappers van de Universiteit Utrecht – in het blad Science Advances. Ze baseren zich op een tamelijk spectaculaire ontdekking in het noorden van Duitsland. daar zijn namelijk fossiele resten, vleugel- en lichaamsschubben van motten en vlinders ontdekt die zo’n 200 miljoen jaar oud zouden zijn.

Massa-extinctie
Op basis van de ontdekking kunnen onderzoekers verschillende conclusies trekken. Allereerst suggereren de fossielen dat de motten en vlinders zich tijdens de massa-extinctie die zo’n 201 miljoen jaar geleden plaatsvond, hebben weten te handhaven. Sterker nog: de onderzoekers vermoeden dat de insecten ervan profiteerden dat hun leefgebied sterk veranderde. “Het grote uitsterven aan het eind van het Trias ging gepaard met massaal vulkanisme als gevolg van het opbreken van het supercontinent Pangaea,” vertelt onderzoeker Timo van Eldijk. “Zowel op het land als in de oceanen nam de biodiversiteit dramatisch af. Veel soorten die in het Trias domineerden, waaronder veel primitieve reptielen, stierven uit. Opmerkelijk genoeg lijken de motten en vlinders de ramp niet alleen goed te hebben doorstaan, maar ze lijken ook geprofiteerd te hebben van de nieuwe omstandigheden, en veel diverser te zijn geworden tijdens een periode van grote ecologische verandering.”

Hier zie je de gefossiliseerde vleugels van motten en vlinders die onderzoekers in Duitsland hebben ontdekt. Afbeelding: Universiteit Utrecht.

Klimaatverandering
Het onderzoek geeft niet alleen meer inzicht in een periode uit het verleden: het heeft mogelijk ook implicaties voor de toekomst. Van Eldijk: “Dit bewijs hervormt ons begrip over de evolutionaire geschiedenis van motten en vlinders en hun weerbaarheid tegen uitsterving. Door te bestuderen hoe insecten en hun evolutie beïnvloed zijn door het broeikaseffect aan het begin van het Jura, hopen we inzicht te krijgen in hoe insecten mogelijk reageren op de huidige klimaatopwarming.”

Wat ook heel interessant is, is dat de fossiele resten van deze vlinders en motten zo’n 70 miljoen jaar ouder zijn dan de oudste fossiele resten die tot op heden van bloeiende planten zijn teruggevonden. Dat betekent dat het onderzoek een nieuw licht kan werpen op het idee dat bloeiende planten en bestuivende planten co-evolueerden. Wat dat betreft wijzen de onderzoekers onder meer op de zuigende monddelen van de gefossiliseerde motten. Ook de overgrote meerderheid van de nu levende motten en vlinders hebben dergelijke monddelen en vaak wordt dat gezien als een aanpassing aan bloeiende planten: de monddelen stellen vlinders en motten in staat om hier voedsel aan te onttrekken. Maar aangezien motten die monddelen al hadden voor er bloeiende planten waren, moet die aanname wellicht op de schop. Volgens de onderzoekers gebruikten de motten die 200 miljoen jaar geleden leefden hun zuigende monddelen om suikerhoudende bestuivingsdruppels te nuttigen die door verschillende niet-bloeiende zaadplanten werden afgegeven.