diplodocus

Hoe konden zoveel verschillende soorten plantenetende, gigantische dinosaurussen in één klein gebied met relatief weinig voedsel leven? Nieuw onderzoek komt met een antwoord: de dino’s hadden stuk voor stuk andere lievelingsmaaltjes.

De biodiversiteit in Afrika is groot. Maar toch is er maar plaats voor één gigantische herbivoor: de olifant. Het zorgt er al enige tijd voor dat onderzoekers zich achter de oren krabben. Hoe kan het dat in Noord-Amerika ooit – in een veel droger gebied met veel minder planten – heel veel gigantische herbivoren samenleefden? Hoe verdeelden zij het weinige voedsel zo dat al die soorten stand konden houden?

De Sauropoda
Onderzoekers van de universiteit van Bristol en het Natural History Museum in Londen hebben dat vraagstuk opgepakt. Met behulp van CT-scans bestudeerden ze de schedels van de Camarasaurus en Diplodocus. Ze behoren tot de Sauropoda: plantenetende dinosaurussen die tussen 210 en 65 miljoen jaar geleden het land domineerden. Ze waren de grootste landdieren uit die tijd met een gewicht dat vaak groter was dan dat van elf olifanten bij elkaar. Zo’n groot lijf vroeg om veel voedsel. Desalniettemin weten we dankzij fossiele resten die door de tijd heen zijn teruggevonden dat veel verschillende soorten Sauropoda zij aan zij leefden. Bijvoorbeeld in het westen van de Verenigde Staten waar wel tien verschillende plantenetende, grote soorten leefden. Ook de Camarasaurus en Diplodocus leefden zij aan zij.

Ander dieet
Op basis van de CT-scans konden de onderzoekers een computermodel van de schedels van deze dinosaurussen bouwen. Dat computermodel gaf weer meer inzicht in hoe die schedel werkte. “Onze resultaten laten zien dat deze twee dinosaurussen niet konden kauwen, maar dat hun schedels wel heel goed in staat waren om planten af te snijden,” vertelt onderzoeker David Button. “Camarasaurus had een heel stevige schedel en krachtige beet, waardoor deze taaie blaadjes en takken kon eten. De zwakkere beet en verfijnde schedel van Diplodocus zou ervoor gezorgd hebben dat deze zich moest beperken tot zachter voedsel, zoals bijvoorbeeld varens. Maar Diplodocus kan ook zijn lange, sterke nek gebruikt hebben om plantenmateriaal te verwijderen door zijn kop heen en weer te bewegen.” Dit wijst erop dat het dieet van de twee dinosaurussen verschilde en dat ze daardoor naast elkaar konden bestaan.

Het is voor het eerst dat onder plantenetende dinosaurussen overtuigend bewijs is gevonden voor wat onderzoekers een op dieet gebaseerde verdeling van een niche noemen. Bovendien werpt het onderzoek licht op de evolutie die de dinosaurussen als het om hun voedingsmechanismen gaat, doormaakten. De eerste Sauropoda aten heel veel verschillende planten, maar de latere Sauropoda specialiseerden zich.