Pure pech, misschien hadden dino’s anders nu nog wel geleefd.

Zesenzestig miljoen jaar geleden trof een planetoïde met een diameter van ongeveer 9 km de aarde in wat nu Mexico is. Deze gebeurtenis betekende het einde voor de dinosauriërs. Maar nu suggereert nieuw onderzoek uit Japan dat het waarschijnlijk minder snel was afgelopen met de dinosauriërs als de planetoïde op een andere plek op aarde was geland.

Roet
Het destijdse Mexico bevatte namelijk veel koolwaterstof- en zwavelrijk afzettingsgesteenten. Door de inslag van de planetoïde in dit gebied kwamen stratosferische roet en sulfaat vrij, die wereldwijd extreme afkoeling en droogte veroorzaakte. 75 procent van alle land- en zeedieren werden hierdoor uitgeroeid. Volgens de wetenschappers was slechts 13 procent van het aardoppervlak rijk genoeg aan koolwaterstoffen om die stratosferische roet te produceren.

Massa-extinctie
De onderzoekers Kunio Kaiho en Naga Oshima bootsten virtueel meerdere scenario’s van planetoïde-inslagen na bij verschillende hoeveelheden koolwaterstoffen in de grond. Hierbij berekenden ze hoeveel stratosferische roet en sulfaat vrijkwamen. Daarnaast werd gekeken wat het effect hiervan was op het klimaat. Ze ontdekten dat de temperatuur op aarde enorm werd aangetast in gebieden met een hoge tot zeer hoge concentratie koolwaterstoffen. Deze weercondities werden zo extreem, dat er een massa-extinctie volgde. In gebieden met een lagere concentratie koolwaterstoffen zou dit echter niet hebben plaatsgevonden.

Volgens de onderzoekers was het dus enorme pech voor de dinosauriërs dat de planetoïde juist op die specifieke plek landde. Als de grond daar een lagere concentratie koolwaterstoffen had bevat, of als de planetoïde op een andere plek op aarde terecht was gekomen, hadden de dino’s nog veel langer kunnen voortbestaan.