De uitwerpselen bieden nieuw leven voor talrijke krioelende diertjes.

De poep van pinguïns en zeeolifanten schijnt bijzonder rijk aan nutriënten te zijn. Zo rijk zelfs, dat het bijdraagt aan een vruchtbare grond, waar andere kleine diertjes weer op kunnen gedijen. Dat blijkt uit een nieuwe studie, uitgevoerd door onderzoekers van de VU. De bemesting kan zich bovendien over meer dan een kilometer buiten de kolonie uitstrekken.

Stand van zaken
Op dit moment staat de biodiversiteit op aarde onder hoge druk. En daarom besloten onderzoekers de stand van zaken op Antarctica eens nader onder de loep te nemen. Dit is echter op de onherbergzame zuidpool nog een behoorlijke uitdaging. Veel plekken zijn namelijk niet toegankelijk voor onderzoekers. Bovendien gaat vegetatie op het land vaak schuil achter een dik pak sneeuw, waardoor het lastig is om deze door middel van satellieten te observeren.


Poep
De Amsterdamse onderzoekers besloten zich daarom door gebieden met schreeuwende zeeolifanten en pinguïns te manoeuvreren, om de grond, korstmossen en mossen rond deze koloniën te bestuderen. En de onderzoekers kwamen tot een opvallende ontdekking. “Pinguïns en zeeolifanten kunnen lokaal grote hoeveelheden stikstof vanuit de zee het land op brengen,” legt onderzoeksleider Stef Bokhorst uit. En de stikstofrijke poep verrijkt de bodem zo goed, dat het bijdraagt aan de biodiversiteit.

Bemesting

De bemesting blijkt overigens niet beperkt tot het eigen leefgebied van de pinguïns. De onderzoekers kwamen erachter dat de poep zich wel kan uitstrekken tot 240 keer de grootte van de kolonie. Ook blijkt de invloed van de uitwerpselen groter te worden naarmate er meer pinguïns in een kolonie wonen.

Ammoniak
De onderzoekers ontdekten dat de poep van pinguïns en zeeolifanten gedeeltelijk verdampt als ammoniak. De ammoniak wordt vervolgens door de wind het binnenland ingeblazen, waar het opgenomen wordt door de vegetatie. “Het resultaat van deze verrijking is een bloeiende vegetatie van mossen en korstmossen, die op hun beurt de ontwikkeling van een opvallend aantal kleine ongewervelde dieren ondersteunt, zoals springstaarten, mijten en nematoden,” vertelt Bokhorst. “Ter vergelijking: je kunt hier miljoenen van deze kleine beestjes per vierkante meter vinden, terwijl je er in graslanden in de Verenigde Staten of Europa er slechts vijftigduizend tot honderdduizend per vierkante meter aantreft.”

Dankij het aangetoonde verband tussen de uitwerpselen en de biodiversiteit, kan dit in de toekomst ook beter gemonitord worden. Zo is het nu mogelijk om een ‘biodiversiteitskaart’ van het gehele schiereiland te maken door simpelweg de kolonies pinguïns in de gaten te houden. En deze groepen zijn gemakkelijk met hulp van satellieten of door bijvoorbeeld metingen vanaf een schip, te observeren.