Met die ogen zagen onze voorouders lekkere maaltijden op het land, waarna ze pootjes ontwikkelden om die te verorberen.

Tot zo’n 385 miljoen jaar geleden waren de gewervelden op aarde enkel in het water terug te vinden. Maar op een gegeven moment waren er een paar gewervelden die zich uit het water hesen en zich bij de ongewervelden – die zich zo’n 50 miljoen jaar eerder al van het water naar het land verplaatst hadden – te voegen. Waarom? Aangenomen wordt dat de gewervelden pootjes ontwikkelden die het mogelijk maakten om ook het land te gaan verkennen. Maar onderzoekers komen nu met een nieuwe hypothese: het begon niet met pootjes, maar met ogen. “Wij zijn de eersten die denken dat het zicht er iets mee te maken kan hebben,” vertelt onderzoeker Malcolm A. MacIver.

Veel groter
MacIver en collega’s bestudeerden 59 fossiele resten die stammen uit de periode voor, tijdens en na de transitie van water naar land. Van elk fossiel stelden ze de grootte van de oogkassen en de lengte van de kop vast. Op basis daarvan konden ze meer zeggen over de grootte van het dier en de grootte van de ogen. Uit het onderzoek blijkt dat dieren die leefden voor de transitie van water naar land plaatsvond ogen hadden die gemiddeld zo’n 13 millimeter groot waren. De dieren die rond de tijd van de transitie leefden, bleken ogen te hebben die gemiddeld 36 millimeter groot waren.

Een lekkere duizendpoot
“We ontdekten dat de visuele capaciteiten van gewervelden kort voor de overgang van water naar land toenamen,” legt MacIver uit. “Onze hypothese is dat het zien van een nog niet geëxploiteerde overvloed aan voedsel op het land – duizendpoten, spinnen en meer – de drijvende kracht was achter de evolutie die van vinnen pootjes maakte.”

Simulaties
Met behulp van computersimulaties gingen de onderzoekers na wanneer de dieren het meest gebaat zouden zijn geweest bij die grotere ogen. Zo simuleerden de onderzoekers bijvoorbeeld het zicht dat deze dieren boven water en in helder en modderig water moeten hebben gehad. De simulaties wijzen uit dat grotere ogen wanneer ze onder water worden benut nauwelijks leiden tot beter zicht (met name omdat licht nu eenmaal niet ver reist in water). “Maar grotere ogen zijn wel heel waardevol als je door lucht kijkt,” stelt onderzoeker Lars Schmitz. Hij wijst er bovendien op dat de ogen van de dieren niet alleen groter werden, maar ook een ander plekje kregen: ze verplaatsten zich van de zijkant naar de bovenzijde van de kop.

Die grotere ogen moeten de dieren in staat gesteld hebben om boven water veel verder te kijken. En wat ze daar zagen, beviel ze zodanig dat ze het water verruilden voor het land. Eenmaal op het land zouden ze – dankzij het feit dat ze veel verder konden kijken dan bijvoorbeeld vissen in het water – ook grotere hersenen ontwikkeld hebben die ze in staat stelde om acties te plannen en niet – zoals vissen – alleen maar pijlsnel te reageren op wat er direct voor hun neus gebeurde.