Dat is een van de conclusies in het artikel “The Dutch Great Stink” van archeologe en historica Roos van Oosten. Zij onderzocht het in onbruik raken van de beerput vanaf de late middeleeuwen in enkele Nederlandse steden.

De beerputten: voor archeologen kunnen het soms een soort schatkistjes zijn. Vanaf de late middeleeuwen, de periode waarin bewoning zich begint te concentreren en de nu bekende grote en middelgrote steden ontstaan, was vrijwel elk huis voorzien van een beerput. Op de meeste van deze ronde doorgaans van baksteen gebouwde putten bevond zich een eveneens uit baksteen opgetrokken koepel. Onder de koepel bevond zich een reservoir van enkele meters diep waarin je je behoefte deed of gooide en waar je daarnaast allerlei afval in kwijt kon.

Zijaanzicht van een opgegraven beerput in Leiden. Afbeelding: BAAC BV.

Zijaanzicht van een opgegraven beerput in Leiden. Afbeelding: BAAC BV.

Beer was handel
Het afval dat tijdens archeologisch onderzoek in beerputten aangetroffen wordt, bestaat onder andere uit etensresten, oude schoenen en kleding, keukengerei, beschadigd of kapot vaatwerk en allerlei soorten gebruiksvoorwerpen. De combinatie van al dit afval met de menselijke uitwerpselen wordt ‘beer’ genoemd. Het zal niet tot veel verbazing leiden dat beerputten regelmatig geleegd dienden te worden. Beer was handel in de middeleeuwen. Het wordt verkocht als meststof en het legen van de putten gebeurde door gespecialiseerde vaklui. Tot groot geluk van archeologen gebeurde dit niet altijd tot op de bodem van de put en zo kan het zijn dat er in een enkele beerput informatie opgeslagen zit uit meerdere, niet noodzakelijkerwijs aaneensluitende, fases van gebruik. Deze verschillende fases zijn op basis van het aardewerk dat er in de lage afval gevonden wordt vrij nauwkeurig te dateren. Het afval van toen vertelt de onderzoekers van nu veel over bijvoorbeeld de ontwikkelingen in eetgewoontes en materiaalgebruik van de gebruikers van de putten.

Bevolkingsgroei
In de late middeleeuwen neemt de bevolking in de steden explosief toe. Het is niet ongebruikelijk dat het aantal inwoners in een stad in een periode van 100 tot 150 jaar verviervoudigd, maar in een aantal steden is er zelfs sprake van een nog grotere bevolkingsgroei. De belangrijkste oorzaak voor deze toename is de stroom politieke vluchtelingen vanuit het zuiden van de Nederlanden; mensen op de vlucht voor de Spaanse overheerser tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De steden verwelkomen de vluchtelingen (vooral om economische redenen) maar kunnen de massale toestroom van mensen niet aan; er is een groot tekort aan woonruimte.

De vele functies van de gracht
De grachten werden niet alleen gebruikt om het afval uit de riolen af te voeren. Zo werden zij als vanzelfsprekend ook gebruikt als vaarwegen. Aan- en afvoer van goederen verliep voor het belangrijkste deel over water. Opvallender is dat het water uit de gracht ook gebruikt werd als drinkwater en als grondstof voor de bierbrouwerijen. Ook nadat de secreetgoten/riolen uitmonden op de grachten verandert dit gebruik in eerste instantie niet. Pas later wordt drinkwater van elders aangevoerd.

Afvalmanagement
Als een logisch gevolg nemen de aantallen huizen en bijbehorende beerputten in deze periode ook explosief toe. Maar dan, in de loop van de 17e eeuw, verandert er iets. Naarmate de steden dichter en dichter bevolkt raakten, werd de destijds gebruikelijke beerput steeds vaker vervangen door een zogenaamde secreetgoot; een directe verbinding tussen het buitenhuis of het inpandige toilet naar de dichtstbijzijnde gracht. Vanaf dat moment werden de menselijke uitwerpselen dus rechtstreeks de gracht in gespoeld. Pas in de 19e eeuw verandert deze situatie weer wanneer – als reactie op een grote cholera-epidemie – het tonnenstelsel wordt ingevoerd. Vanaf dat moment wordt ontlasting verzameld in tonnen of emmers die periodiek geleegd worden door een ophaaldienst.

Sanitaire geschiedenis
Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat deze ontwikkeling niet in alle steden op dezelfde manier verlopen is. “Zoveel steden, zoveel sanitaire geschiedenissen,” aldus Van Oosten. Zij onderzocht het in onbruik raken van de beerput in Haarlem, Leiden, Dordrecht, Alkmaar, Den Bosch, Amersfoort en Deventer. De fasering die hierboven geschetst is, lijkt vooral van toepassing op de waterrijke, Hollandse steden zoals Leiden, Alkmaar, Haarlem en Dordrecht. In de steden meer landinwaarts blijkt de ontwikkeling anders te verlopen. Het onderzoek van Van Oosten laat zien dat het aantal beerputten in Den Bosch, in tegenstelling tot de situatie in de steden in het westen, achter lijkt te blijven bij het hoge aantal inwoners in de late middeleeuwen. Daarnaast blijven beerputten veel langer in gebruik en is Den Bosch vrijwel de enige stad waar het tonnenstelsel niet wordt ingevoerd. “Dit heeft veel te maken met de goede afzetmarkt voor stadsmest in de Meierij,” vertelt Van Oosten. “Mest werd er als een heilige vereerd, aldus een 19de-eeuwse verhandeling over landbouw in de Meierij.” Mest, waaronder dus ook de beer uit steden, was een welkome, voedingsstoffenrijke aanvulling op de relatief arme bodems in de regio. Als gevolg van eeuwenlange bemesting wordt het boerenlandschap langzaam opgehoogd en ontstaan uiteindelijk de zogenoemde ‘bolle akkers’.

Leiden en Haarlem
Het contrast met de Hollandse steden was groot maar ook tussen de Hollandse steden onderling waren er grote verschillen. Het grootste contrast was er tussen Haarlem en Leiden. In beide steden was er wetgeving die het omgaan met de menselijke ontlasting reguleerde. Zo diende in Leiden elk huis per wet de beschikking te hebben over een beerput en was het verboden om een overloop te hebben die uitkwam op de gracht. In Haarlem werd het als schadelijk voor de lokale economie gezien wanneer de grachten verstopt zouden raken met vuil en afval. Daarnaast zouden verstopte grachten de aanvoer van bluswater bij brand bemoeilijken. Het vervuilen en verstopt raken van de grachten, die gezien werden als de slagaders van de stad, werd als kwalijk voor het gemeenschappelijk goed gezien.

Het verdwijnen van de beerputten valt in Haarlem samen met de afname van de bierconsumptie. En dat is geen toeval

Bier en textiel
Maar mentaliteiten veranderen en wetgeving kan aangepast worden. In Haarlem blijven beerputten lang in gebruik omdat de stad een grote en voor de stad belangrijke bierbrouwerindustrie kent. De brouwers halen het voor hun bier benodigde water uit de stadsgrachten en hechten dus veel waarde aan de goede kwaliteit van het water. Zij konden daarnaast ook boetes krijgen wanneer zij bier produceerden met een ongewenste bijsmaak. Een goede waterkwaliteit was dus van groot belang voor de welvaart van zowel de stad als de brouwers. Het verdwijnen van de beerputten valt in Haarlem samen met een afname van de bierconsumptie en daarmee een afname van de relevantie van de bierproducerende industrie.
Tegelijkertijd neemt het belang van de textielindustrie toe. Het bleken en kleuren van textiel is een ‘vuile’ industrie en er was de fabriekseigenaren veel aan gelegen om hun afvalstoffen direct in de grachten te lozen. En zo kwam het geregeld voor dat het water in de grachten dezelfde kleur had als het textiel dat verderop gekleurd werd. In Leiden was de textielindustrie van begin af aan veel groter dan de brouwersindustrie. Daar waar in Haarlem de brouwers nog hun invloed konden uitoefenen om de waterkwaliteit te behouden, waren de brouwers in Leiden vrij kansloos. De stap naar de op de grachten uitkomende secreetgoten was in Leiden veel kleiner en gebeurde dan ook veel eerder.

Huurders en huisbazen
De enorme bevolkingsgroei in de steden leidde niet alleen tot een toename van het aantal huizen maar ook tot een toename van het aantal huizen dat gehuurd werd. Het was de verantwoordelijkheid van de huisbazen om de beerputten te laten legen. Het onderzoek van Van Oosten toont aan dat de kosten voor het legen van een beerput gelijk waren aan de opbrengst van één tot drie maanden huur. Het legen van de beerputten diende regelmatig (elke paar jaar) te gebeuren en de huisbazen zagen in de secreetgoten dan ook de ideale oplossing om onder deze financiële last uit te komen.

“Het samenspel tussen de industrie, de huisbazen, de lokale overheid en de bewoners leidt er uiteindelijk toe dat de beerputten in de Hollandse steden vrijwel helemaal verdwijnen”

Oorzaak en gevolg
Het samenspel tussen de industrie, de huisbazen, de lokale overheid en de bewoners leidt er uiteindelijk toe dat de beerputten in de Hollandse steden vrijwel helemaal verdwijnen. De belangrijkste oorzaken zijn economische motieven en een veranderende mentaliteit. Het is belangrijk om in gedachten te houden dat er in deze periode sprake was van grote verschillen tussen arm en rijk. De gouden eeuw was vooral goud voor een kleine elite terwijl de ‘gewone man’ onder zeer erbarmelijke omstandigheden probeerde om rond te komen. Het perspectief van bestuurders verlegde zich van wat goed was voor de publieke zaak naar wat in het belang was voor een kleine elite.

De gevolgen zijn legio; het vervuilde drinkwater en verstopt raken van de grachten leidt tot het verdwijnen van levende vis, het drinken van ditzelfde water vergemakkelijkt de verspreiding van ziektes en veroorzaakt epidemieën. Maar bovenal leidt het verval van de beerput en het gebruik van de secreetgoten tot een enorme stank. Een stank die, zeker naar onze maatstaven, in de zomer haast ondragelijk moet zijn geweest.

Sander de Bondt (1982) is in 2007 afgestudeerd als archeoloog aan de Universiteit van Leiden en sindsdien werkzaam bij een bureau dat bouwhistorisch, archeologisch, architectuurhistorisch en cultuurhistorisch onderzoek verricht. Binnen zijn functie is hij mede verantwoordelijk voor het op een toegankelijke manier presenteren van onderzoeksresultaten aan een breed publiek. Voor Scientias.nl tracht hij recent wetenschappelijk onderzoek te koppelen aan de praktijk van de Nederlandse archeologie.