De bovenarmen van de prehistorische vrouwen waren nog sterker dan die van de beste vrouwelijke roeiers ter wereld.

Onderzoekers van de universiteit van Cambridge hebben de opperarmbeenderen van bijna tachtig prehistorische vrouwen onderzocht, namelijk de linker opperarmbeenderen van 76 vrouwen en de rechter opperarmbeenderen van 78 vrouwen. In het geval van de linker opperarmbeenderen gaat het om 29 vrouwen uit de nieuwe steentijd (vanaf 11.000 jaar voor Christus, tijdens de opkomst van landbouw), 27 dames uit de bronstijd (ca 3000 tot 800 voor Christus), zeventien individuen uit de ijzertijd (volgde na de bronstijd) en vijf vrouwen uit de Middeleeuwen. De botten zijn vergeleken met die van professionele sporters, waaronder roeiers en hardlopers.

Bot kan veranderen
Bot is een levend weefsel. Wanneer je een lichamelijke activiteit uitvoert, kunnen jouw botten zich aanpassen. “Als er sprake is van herhaalde belasting, dan kan een bot daarop reageren door te veranderen”, zegt onderzoeker Dr Alison Macintosh, hoofdauteur van het paper in het wetenschappelijke vakblad Science Advances. “Een bot wordt dikker of krijgt een andere vorm.”

De opperarmbeenderen van prehistorische vrouwen vergeleken met die van hedendaagse sporters.

Sterke armen
De conclusies zijn opvallend. Zo hadden vrouwen uit de vroege landbouwtijd sterke armen. De armen waren elf tot zestien procent sterker dan die van hedendaagse professionele roeiers en bijna dertig procent sterker dan de armen van een gemiddelde Cambridge-student. Toch hadden de prehistorische vrouwen relatief zwakke benen. Dit in tegenstelling tot prehistorische mannen, die weer sterke benen hadden.

Hoe kwamen prehistorische vrouwen aan sterke armen?
De onderzoekers vermoeden dat de vrouwen sterke armen hadden ontwikkeld door het malen van graan. Dat was in die tijd zeer arbeidsintensief. “Dit werk werd waarschijnlijk uitgevoerd door vrouwen”, vervolgt MacIntosh. “Vele millenia gebruikten zij twee grote maalstenen om graan te malen. Tegenwoordig worden deze maalstenen in sommige gemeenschappen nog gebruikt, maar daar zijn de vrouwen tot vijf uur per dag bezig met malen. De armen van de vrouwen worden hierdoor zwaar belast.”

Maar mogelijk voerden vrouwen meer klussen uit. Zo plantten en oogstten ze gewassen, verzamelden ze water en voedsel voor vee en zorgden zij voor melk en vlees op tafel. Daarnaast gebruikten zij de huiden van de dieren en wol om kleding te maken. Uit eerder onderzoek bleek al dat prehistorische vrouwen voor honden zorgden.