hondmeisje

Vrouwen en honden hadden nauw contact in de prehistorie. Dat vermoeden onderzoekers nu ze ontdekt hebben dat vrouwen uit het neolithisch tijdperk opvallend vaak drager waren van een cyste die zijn herkomst vindt in honden, wolven en vossen.

De onderzoekers togen naar een begraafplaats in Zuid-Siberië en ontdekten daar de resten van een vrouw die ongeveer 8000 jaar geleden leefde. Bij haar skelet troffen de onderzoekers een eivormig fossiel van 2 bij 3 centimeter aan. Nader onderzoek toonde aan dat het ging om een verkalkte cyste van de lintwormsoort Echinococcus granulosus. De vrouw leed aan de ziekte Echinokokkose: het resultaat van het meedragen van een parasitaire cyste van E. granulosus die alleen voorkomt bij honden, vossen en wolven.

Nauw contact
De onderzoekers stellen – voorzichtig – dat vrouwen en honden in het neolithisch tijdperk nauw contact met elkaar hadden. Ze baseren zich daarbij niet alleen op de resten van deze vrouw. Ze wijzen ook op de resten van twee andere jonge vrouwelijke volwassenen die op een nabijgelegen begraafplaats uit hetzelfde tijdvak werden teruggevonden. Ook deze vrouwen hadden de parasitaire cystes bij zich.

Kans op besmetting
De kans dat mannen of vrouwen besmet raken, is even groot. En toch worden de weinige lintwormcystes die tot op heden uit het neolitische tijdperk zijn teruggevonden veel vaker bij vrouwen dan mannen aangetroffen. Het suggereert dat de vrouwen in deze tijd een iets groter risico liepen besmet te raken. De onderzoekers denken dan ook dat vrouwen vaker belast waren met de zorg voor gedomesticeerde honden die in dit tijdperk gebruikt werden voor de jacht of het hoeden van de kuddes.

De worm E. granulosus heeft twee gastheren nodig om zijn levenscyclus te kunnen voltooien. Een planteneter of mens (die dienst doet als tussengastheer) en een hond, wolf of vos (als eindgastheer). De eindgastheer – waarin dus een lintworm leeft – poept de eitjes van deze lintworm uit. Die eitjes kunnen op planten belanden en vervolgens in het spijsverteringssysteem van planteneters belanden. Mensen krijgen de eitjes binnen als ze bijvoorbeeld een besmette hond aanraken. De hond kan de eitjes door zich te likken namelijk over zijn hele vacht verspreiden. Als de eitjes in het lichaam van een herbivoor of mens zijn beland, komen ze in het spijsverteringskanaal en – in inmiddels getransformeerde vorm – in de dunne darm terecht. Dan dringen ze de bloedbaan binnen en kunnen ze naar een orgaan – bijvoorbeeld de lever, longen, maar soms ook het hart – reizen. In dat orgaan vormen ze een blaasje – cyste – waarin zich de kopjes van lintwormen ontwikkelen. Een mens kan daar ernstig ziek van worden en zelfs aan overlijden. Nog altijd lijden wereldwijd één miljoen mensen aan Echinokokkose.