Vleermuizen die rondtrekken, hebben een kleiner brein dan hun soortgenoten die thuisblijven. Dat blijkt uit onderzoek. Alles wijst erop dat de reizende vleermuizen zich de bagage in de vorm van een groot brein niet kunnen permitteren. De wetenschappers vermoeden dat ditzelfde voor trekvogels geldt. Ook zij hebben een veel kleiner brein.

Onderzoeker Liam McGuire en John Ratcliffe wilden weten waarom het brein van een trekvogel veel kleiner is dan dat van een vogel die in de winter thuis blijft. Biologen vermoeden dat de thuisblijvers een groter brein nodig hebben om in de wisselende seizoenen elke keer weer voedsel te vinden. De trekvogel zit niet met dat probleem, want deze soort vliegt gewoon naar een voedselrijk gebied. Een tweede mogelijke verklaring is dat de grotere breinen meer energie verbranden en zwaarder zijn: dat kunnen de reizigers niet hebben, want het maakt hun tocht een stuk zwaarder.

McGuire en Ratcliffe besloten uit te zoeken welke van deze twee opties klopt en richtten zich daarbij op de vleermuis. Hun keuze is logisch. Deze soort is onder te verdelen in twee groepen. Een deel blijft thuis en een deel trekt weg. De thuisblijvers onderscheiden zich echter van de vogels. Ze hoeven niet harder op zoek naar voedsel in de winter, maar houden een winterslaap.

Nu blijkt dat het brein van de thuis blijvende vleermuis ondanks dat toch groter is, wijst alles erop dat het niets te maken heeft met de zoektocht naar voedsel. Het is aannemelijker dat de wegtrekkende vleermuizen (en dus mogelijk ook vogels) enkel last hebben van het gewicht en daarom een kleiner brein hebben.