Nieuw onderzoek rekent af met een mythe die zo’n 150 jaar stand heeft weten te houden.

Al jaren zijn we diep onder de indruk van het reukzintuig van honden en knaagdieren en in de veronderstelling dat ons eigen reukzintuig daar in de verste verte niet aan kan tippen. Onterecht, zo schrijft neurowetenschapper John McGann in het blad Science.

De menselijke reukzin
McGann doet al veertien jaar onderzoek naar de reukzin. En dat onderzoek toont aan dat de reukzin van mensen zich kan meten met dat van bijvoorbeeld honden. “Het feit is dat de reukzin van mensen net zo goed is als die van andere zoogdieren, zoals knaagdieren en honden,” vertelt McGann. Hij wijst erop dat mensen wellicht zo’n 1 biljoen verschillende geuren van elkaar kunnen onderscheiden.

Broca
En toch zijn de meesten van ons ervan overtuigd dat onze reukzin vele malen minder goed is dan die van bijvoorbeeld honden. Hoe kan dat toch? McGann heeft het uitgezocht. Zijn studie bracht hem bij Paul Broca, een hersenchirurg uit de negentiende eeuw. Broca ontdekte dat de reukkolf – een hersengebied dat betrokken is bij de perceptie van geuren – bij mensen veel kleiner is dan bij honden. En dus nam Broca aan dat mensen ook een veel minder goede reukzin hadden dan honden. Het is niet zo’n gekke aanname: voor veel hersengebieden geldt namelijk dat de relatieve omvang van het hersengebied meer zegt over hoe goed een organisme in staat is om taken die met dat hersengebied geassocieerd worden, uit te voeren. Maar recent onderzoek toont aan dat de reukkolf de uitzondering is die de regel bevestigt.

Van Broca naar Freud
Broca schreef zijn bevindingen al in 1879 op. Hij stelde daarbij dat de kleinere menselijke reukkolf bewees dat mensen een vrije wil hadden en niet op geuren hoefden te vertrouwen om in leven te blijven. Zelfs Sigmund Freud werd uiteindelijk door de ideeën van Broca beïnvloedt en stelde dat onze minderwaardige reukzin ons vatbaarder maakte voor mentale problemen.

Bevestigingsvooroordeel
Anno 2017 zijn de meesten van ons nog steeds in de veronderstelling dat de menselijke reukzin relatief slecht is. Een veronderstelling die de afgelopen jaren bevestigt leek te worden door genetisch onderzoek. Denk aan studies die aantonen dat ratten en muizen genen hebben voor zo’n 1000 verschillende soorten receptoren die geactiveerd worden door geuren, terwijl wij mensen slechts 400 van die receptoren hebben. Dergelijke studies moeten volgens McGann gezien worden als een bevestigingsvooroordeel: onderzoekers zijn geneigd om in verzamelde onderzoeksgegevens dingen te zien die de theorie dat de menselijke reukzin minderwaardig is, bevestigen.

McGann kan zich daaraan ergeren. Want de mythe dat we een minderwaardige reukzin hebben: daar moeten we echt vanaf. Alleen zo wordt namelijk de weg vrijgemaakt voor meer onderzoek naar de functie van de menselijke reukzin. Die functie is – aangezien onze reukzin zo goed is – waarschijnlijk namelijk veel breder dan we nu denken.