Nieuw onderzoek van de Radboud Universiteit veegt het idee dat Romeinse vrouwen een verlengstuk van hun mannen waren, van tafel.

Historicus Coen van Galen schrijft in zijn proefschrift – dat hij later deze maand aan de Radboud Universiteit verdedigt – over vrouwen in de Romeinse keizertijd. En uit zijn studie rolt een heel ander beeld van de Romeinse vrouw dan we eerder hadden. De vrouwen waren best zelfstandig en genoten meer persoonlijke vrijheid dan vrouwen in westerse landen tot in de twintigste eeuw.

Gaius. Afbeelding: Basilio (via Wikimedia Commons).

Gaius. Afbeelding: Basilio (via Wikimedia Commons).

Literaire bronnen
“Mijn onderzoek leunt sterk op literaire bronnen uit de periode 200 voor Christus tot ongeveer 50 na Christus en op juridische bronnen, met name op de jurist Gaius,” vertelt Van Galen aan Scientias.nl. “Op zich zijn dat geen spectaculaire nieuwe bronnen: deze bronnen zijn algemeen bekend en voor iedereen beschikbaar. Wat nieuw is, is dat ik met een ander perspectief naar de positie van Romeinse vrouwen als burgers heb gekeken en dat ik me bij burgerschap juist niet tot mannen heb beperkt. Als Romeins burgerschap besproken wordt dan wordt meestal de positie van volwassen mannen bedoeld. Dat is logisch omdat Romeinse juristen en schrijvers (allemaal mannen) een sterke neiging hebben om vrouwen minder zichtbaar te maken als burgers. Burgerschap wordt in de bronnen gepresenteerd als mannelijk, zonder dat vrouwen met zoveel woorden worden uitgesloten. Romeinse vrouwelijke burgers worden hierdoor in een soort schemerzone geplaatst: pas bij nadere studie blijkt dat vrouwen vaak deel uitmaken van de beschreven burgerij. Wat ik heb gedaan is de contouren van dit bijna onzichtbare vrouwelijke burgerschap zichtbaar maken door bronnenonderzoek te combineren met inzichten uit de antropologie, psychologie, genderstudies en rechtswetenschap. Een belangrijke rol speelde daarin de mogelijke ‘bargaining power‘, de onderhandelingspositie, van vrouwen ten opzichte van echtgenoten en mannelijke familieleden, omdat ik vermoedde dat de effecten van een verandering in de onderhandelingspositie van vrouwen mogelijk terug te vinden zou zijn in de bronnen. Dat bleek ook zo te zijn: toen in de tweede helft van de eerste eeuw voor Christus de onderhandelingspositie van vrouwen als groep toenam, ontstond er in de Romeinse literatuur een discussie over vrijgevochten vrouwen die zich niet hielden aan de traditionele rollen van vrouwen.”

“Er zijn verhalen van vrouwen die een eigen carrière nastreven en die hun bezit in eigen beheer nemen”

Huwelijksvoorwaarden
Die discussie werd aangezwengeld door nieuwe huwelijksvoorwaarden die in de eerste eeuw voor Christus steeds gangbaarder werden. In theorie kon een vrouw voor die tijd al hoofd van haar familia (de Romeinse familiestructuur) worden. Daarvoor hoefde ze alleen maar de oudste in de mannelijke lijn te zijn. Maar dat gebeurde in de praktijk maar weinig, omdat vrouwen wanneer ze trouwden onderdeel van de familia van de man werden. “Waardoor ze juridisch gezien in de rol kwamen van de dochter van hun man en aan hem ondergeschikt waren zo lang hij leefde.” De nieuwe huwelijksvoorwaarden zorgden ervoor dat de vrouw onderdeel bleef van de familia van haar vader en dus ook na haar huwelijk nog hoofd van de familia kon worden als haar vader overleed.

“Om ervoor te zorgen dat Romeinse vrouwen kinderen bleven baren, kwamen er nieuwe wetten die het voor iedereen verplicht maakten om te trouwen”

Dan maar niet trouwen
Het leverde soms nogal opmerkelijke situaties op. Zo kon het zijn dat een vrouw na het overlijden van haar vader zelfstandig familiehoofd werd, onafhankelijk van haar echtgenoot. Als de vader van de echtgenoot nog leefde, was hij – naast deze Romeinse powervrouw – onmondig en zonder eigen bezit. Het was een omkering van de genderrollen. En dat had natuurlijk gevolgen. “Het levert spanningen in de Romeinse samenleving op,” vertelt Van Galen. “Er zijn verhalen van vrouwen die een eigen carrière nastreven en die hun bezit in eigen beheer nemen.” Het stond haaks op de traditionele rolverdelingen tussen Romeinse mannen en vrouwen. Sommige Romeinse mannen hadden daar zo’n moeite mee dat ze bewust niet trouwden en een slavin als partner namen. Dan hoefden ze de macht in huis in ieder geval niet te delen.

Keizer Augustus.

Keizer Augustus.

Nieuwe wetten
Het was een ontwikkeling waar de overheid niet op zat te wachten. Om de afname van het aantal huwelijken tegen te gaan en ervoor te zorgen dat Romeinse vrouwen kinderen bleven baren, kwamen er nieuwe wetten. Die maakten het voor iedereen verplicht om te trouwen. Ook schreven de wetten – uitgevaardigd door keizer Augustus – voor dat vrouwen die binnen een wettig huwelijk minimaal drie kinderen op de wereld hadden gezet beloond moesten worden met extra zelfstandigheid. “Zoals ik het zie zijn de huwelijkswetten van Augustus een manier geweest om de sociaal-maatschappelijke effecten van de nieuwe huwelijkssituatie in te perken,” stelt Van Galen. “Je kunt je voorstellen dat een huwelijk onder de nieuwe huwelijkse voorwaarden minder aantrekkelijk kan zijn voor beide partijen: de afstand tussen beide partners werd groter, de man kreeg minder te zeggen over zijn vrouw en de vrouw werd weliswaar zelfstandiger, maar ze kreeg nog steeds geen ouderlijk gezag over de kinderen, dat bleef bij de man. Voor sommige Romeinen (voor mannen weten we dat zeker, voor vrouwen is dat moeilijker vast te stellen) kan dit reden zijn geweest om niet te trouwen, of om een relatie te beginnen met een duidelijk sociaal inferieure partner, bijvoorbeeld een (voormalige) slaaf. Dit was problematisch voor de Romeinse overheid, want burgerkinderen konden alleen geboren worden in een wettig huwelijk tussen burgers. Er was een angst dat het aantal burgers hierdoor zou dalen. Wat Augustus doet is dat hij een wet laat aannemen die bepaalt dat alle Romeinen in de vruchtbare leeftijd getrouwd moeten zijn en dat met name de elite niet meer mag trouwen met voormalige slaven. Mensen die dat wel doen, worden bestraft en sociaal achtergesteld. Daarnaast geeft hij beloningen aan burgers die voldoende wettige kinderen krijgen. Eén van die beloningen is het ius liberorum, het kinderrecht, dat vrouwen kregen als ze minimaal drie kinderen hadden gekregen. Ze kregen dan de volledige vrijheid om met hun bezit te doen wat ze wilden. Tot dan toe moest een juridisch zelfstandige vrouw nog altijd een tutor, een soort voogd, hebben die moest instemmen met activiteiten die haar bezit zouden kunnen verminderen. Een vrouw met het ius liberorum hoefde geen tutor meer te hebben.”

Op de foto
Op de foto bovenaan dit artikel zie je Livia, de vrouw van keizer Augustus. Ook een vrouw die worstelde met haar vrijheid en zelfstandigheid. “In Livia zien we mooi de ambivalentie: ze deed zich voor als een keurige huisvrouw, maar ze speelde een centrale rol in het Romeinse rijk,” aldus Van Galen.

Toch bleef het lastig
Het ingrijpen van Augustus was niet direct een oplossing voor het Romeinse ‘probleem’ dat ‘de zelfstandige vrouw’ heet. Het laat volgens Van Galen voornamelijk zien dat de Romeinse maatschappij met de vrijheid van vrouwen worstelde. Vrouwen hadden het er zelf overigens ook niet gemakkelijk mee (zie kader). Ze hadden weliswaar de juridische vrijheid om zelf te handelen, maar konden dat eigenlijk niet al te opvallend doen, omdat ze tegelijkertijd moesten voldoen aan het ideaalbeeld van de bescheiden en volgzame vrouw.

Geen verlengstuk
Het onderzoek van Van Galen verandert de kijk op de Romeinse vrouw sterk: lang werd ze immers gezien als een verlengstuk van haar man. Hoe heeft dat beeld eigenlijk zolang stand kunnen houden? “Dat heeft deels te maken met het zelfbeeld van de Romeinse schrijvers,” vertelt Van Galen desgevraagd. “Dit zijn allemaal oudere mannen uit de elite die zich graag presenteren als het gezaghebbende hoofd van hun familie (of eigenlijk van hun familia: de familielijn waar niet alleen kinderen, maar ook kleinkinderen in mannelijke lijn onder vielen). Traditioneel trouwden Romeinse vrouwen in in de familia van hun man en werden dan ondergeschikt aan hem: ze stond onder het gezag van haar man en kon, net als hun kinderen overigens, geen eigen bezit hebben zolang haar man leefde. In de eerste eeuw voor Christus wordt het gebruikelijk dat Romeinen onder andere huwelijkse voorwaarden trouwen, waarbij de vrouw deel bleef uitmaken van de familia van haar vader. Ze kwam dus niet meer onder het gezag van haar man, ook niet nadat haar eigen vader overleed: als haar vader stierf, werd ze een zelfstandige burger, met een eigen rechtspositie en eigen bezittingen. Ze werd een zelfstandig hoofd van haar eigen familia, onafhankelijk van haar man: er waren dan dus twee familiae in één huwelijk. Deze situatie, waarbij een vrouw feitelijk onafhankelijk kon zijn van haar echtgenoot, paste niet in het beeld dat Romeinse mannen van zichzelf hadden. Je ziet in de literatuur dat de relatief zelfstandige positie van vrouwen wordt verbloemd en dat de retoriek blijft bestaan dat vrouwen minder zijn dan mannen en dat alleen mannen echte burgers zijn. Een ‘goede vrouw’ werd geacht zich te presenteren als een deel van haar familiegroep en te doen alsof haar handelen niet ingegeven was door eigen belang, maar het belang van de familiegroep. Die retoriek is een belangrijke reden dat dit idee van de vrouw als verlengstuk van de man is blijven bestaan.”

“Mijn onderzoek laat ook zien dat veel onderzoek, bewust of onbewust, uitgaat van een bepaalde visie op man-vrouw verhoudingen in de samenleving”

Het belang
Toch is het volgens Van Galen goed dat we nu weten dat het anders zat met de Romeinse vrouwen. “Het is belangrijk om een helder beeld te hebben van de rol van Romeinse vrouwen als burgers, omdat het heel veel zegt over de manier waarop de Romeinse samenleving georganiseerd was en de manier hoe Romeinen zelf burgerschap zagen. Juist door te kijken naar vrouwen, die in zekere zin aan de rand van het burgerschap stonden, worden de grenzen van burgerschap en de organisatie daarvan veel duidelijker. Daarnaast is het belangrijk om te weten hoe vrouwen functioneerden als burgers, omdat in Romeinse bronnen vaak in algemene woorden over burgers wordt gesproken. In onderzoek wordt vaak aangenomen dat het in die gevallen om volwassen mannen moet gaan. Om een voorbeeld te noemen: de inschattingen van het aantal inwoners van de stad Rome in de oudheid is gebaseerd op het aantal graanuitdelingen aan burgers in Rome. Het maakt nogal een verschil voor je schatting of je aanneemt dat de uitdelingen alleen naar volwassen mannen ging (die allemaal een vrouw en kinderen hadden) of naar de hoofden van de familiae (dus zowel mannen als vrouwen, die ook nog eens met elkaar getrouwd konden zijn). Dat brengt me bij een groter belang dat voorbij de oudheid gaat: mijn onderzoek laat ook zien dat veel onderzoek, bewust of onbewust, uitgaat van een bepaalde visie op man-vrouw verhoudingen in de samenleving. Mensen zijn geneigd om sociale verhoudingen te interpreteren op de manier die ze kennen uit hun eigen tijd. Wat ik heb getoond is dat de Romeinse samenleving zeker paternalistisch en soms zelfs vrouw-onvriendelijk was en bleef, maar dat door de manier waarop die samenleving was georganiseerd vrouwen toch meer speelruimte konden krijgen.”

Het onderzoek kan ons dus helpen om het verleden beter te begrijpen. “Wat mij het meest heeft verrast is de manier waarop veel puzzelstukjes uit de Romeinse geschiedenis opeens in elkaar vielen toen ik het traditionele perspectief op Romeinse vrouwen verliet en vanuit een andere hoek naar Romeinse vrouwen als burgers ging kijken. Allerlei onbegrijpelijke ontwikkelingen worden logischer als je er van uit gaat dat vrouwen als zelfstandig handelende burgers konden optreden, niet alleen thuis, maar ook in het publieke leven.”