Naast mensen lopen mogelijk ook chimpansees, gorilla’s, herten en zelfs dolfijnen een risico.

Die voorzichtige conclusie trekken Amerikaanse onderzoekers in het blad PNAS. Ze richtten zich in hun studie specifiek op ACE2: een eiwit dat het virus gebruikt om zich aan onze cellen te binden en deze binnen te dringen.

Vergelijking
ACE2 is te vinden op verschillende cellen en weefsels, waaronder cellen in onze neus, mond en longen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het eiwit onder mensen over 25 aminozuren beschikt die SARS-CoV-2 in staat stellen om zich aan onze cellen te binden en deze binnen te dringen. Wat onderzoekers nu in feite hebben gedaan, is ons ACE2-eiwit vergelijken met dat van 410 andere soorten gewervelden, waaronder vogels, vissen, amfibieën, reptielen en zoogdieren.


Het onderzoek wijst uit dat een groot aantal zoogdieren in theorie via hun ACE2-eiwitten door SARS-CoV-2 geïnfecteerd kunnen worden. “Dieren met alle 25 aminozuren die we ook bij mensen aantreffen hebben naar verwachting de grootste kans om SARS-CoV-2 via ACE2 op te lopen,” vertelt onderzoeker Joana Damas. De kans neemt af naarmate het eiwit sterker van het onze verschilt.

De resultaten
Diersoorten die volgens het onderzoek van Damas en collega’s een zeer grote kans hebben om door het virus geïnfecteerd te worden, zijn onder meer de chimpansee, de westelijke laaglandgorilla, de bonobo en de Sumatraanse orang-oetan. Soorten die een grote kans op infectie hebben, zijn onder meer de Chinese hamster, de grote miereneter en de tuimelaar. Een gemiddelde kans op infectie is er onder meer voor katten, schapen en de Siberische tijger. Een kleine kans is er voor de Afrikaanse olifant, het varken en paarden. Een heel kleine kans is er voor de Amerikaanse alligator, de huismuis en Californische zeeleeuw.

Onduidelijkheid
Het onderzoek geeft grofweg een beeld van de diersoorten die puur afgaand op hun ACE2-eiwit mogelijk geïnfecteerd kunnen worden door SARS-CoV-2. Niet meer en niet minder. Zo kan op basis van dit onderzoek niet worden geconcludeerd dat bijvoorbeeld westelijke laaglandgorilla’s of dolfijnen – die afgaand op hun ACE2-eiwitten een vrij grote kans op infectie lijken te hebben – ook gedoemd zijn om ziek te worden door het virus. “Hoewel soorten afgaand op de eigenschappen van hun ACE2-eiwitten vatbaar kunnen lijken voor infectie, kunnen pathologische uitkomsten onder soorten, afhankelijk van andere mechanismen, zoals de immuunreactie die van invloed is op de verspreiding van het virus, sterk verschillen,” zo waarschuwen de onderzoekers in hun paper. Tegelijkertijd moeten we ook niet denken dat diersoorten die puur afgaand op hun ACE2-eiwit niet of nauwelijks vatbaar lijken voor het virus het ook zeker niet zullen krijgen. “We kunnen niet uitsluiten de infectie bij andere soorten via andere cellulaire receptoren plaatsvindt.”


Overeenkomsten
Om echt meer duidelijkheid te krijgen over de kans op infectie en ziekte onder andere soorten, is veel meer data nodig, zo erkennen de onderzoekers. Tegelijkertijd merken ze op dat de weinige data omtrent infecties en het daaropvolgende ziektebeeld die onder andere soorten zijn verzameld, in lijn zijn met wat hun studie laat zien. “Data omtrent de vatbaarheid voor SARS-CoV-2 onder niet-menselijke soorten zijn nog altijd heel beperkt,” zo stellen de onderzoekers. “Maar de meeste data (die voorhanden zijn, red.) komen overeen met onze voorspellingen. Vijf van de zes soorten die bewezen vatbaar zijn voor een infectie door SARS-CoV-2 scoren heel hoog (het gaat dan om twee soorten makaken, red.) of gemiddeld (de huiskat, tijger en goudhamster). Beide soorten vatbaar voor infectie, maar asymptomatisch scoren heel laag (honden en de Nijlroezet, een soort vleermuis, red.) en de drie soorten die bewezen resistent zijn voor infectie scoren laag (het varken) of heel laag (wilde eend en bankivahoen).” De fret vormt op dit alles een uitzondering. Deze soort scoort laag als het gaat om de overeenkomsten tussen zijn ACE2-eiwit en het onze, maar is wel vatbaar voor infectie. “Fretten zijn mogelijk een geval apart, vanwege hun unieke ademhalingssysteem. Fretten zijn heel gevoelig voor een infectie van de bovenste luchtwegen en heel vatbaar voor tal van virusziekten.”

Belangrijk onderzoek
Er moet duidelijk nog veel werk verzet worden om helder te krijgen welke soorten het virus kunnen krijgen en welke gevolgen dat heeft voor de verspreiding ervan. De onderzoekers geven met hun studie dan ook het startschot voor veel meer onderzoek naar de vatbaarheid voor SARS-CoV-2 onder andere diersoorten. Deze vervolgstudies zijn in meerdere opzichten heel belangrijk. Zo kunnen ze meer inzicht geven in hoe het virus bij ons is beland. Waar in eerste instantie met een beschuldigend vingertje in de richting van vleermuizen werd gewezen, wijzen steeds meer studies erop dat het virus weliswaar van vleermuizen afkomstig is, maar via een tussengastheer op mensen is overgesprongen. Door vast te stellen welke diersoorten het virus op kunnen lopen, kunnen we wellicht ook de tussengastheer identificeren.

Bedreigde soorten
Daarnaast stelt het identificeren van de soorten die door SARS-CoV-2 geïnfecteerd kunnen worden ons in staat om deze soorten waar nodig extra bescherming te bieden, bijvoorbeeld door er extra ver uit de buurt te blijven. Dat kan met name van levensbelang zijn voor de soorten die vatbaar blijken voor SARS-CoV-2, maar voorafgaand aan de pandemie al in het nauw zaten, door verlies van leefgebied of stroperij bijvoorbeeld. Dit onderzoek suggereert dat maar liefst 40 procent van de diersoorten die afgaand op hun ACE2-eiwitten vatbaar zijn voor SARS-CoV-2 reeds als bedreigd te boek staan.

Tenslotte kan het identificeren van soorten die vatbaar zijn voor het virus ook helpen bij het onderzoek naar COVID-19 en effectieve behandelingen voor deze soms dodelijk ziekte, veroorzaakt door SARS-CoV-2. “Onze voorspellingen voorzien ons van een nuttig startpunt voor het selecteren van geschikte diermodellen voor onderzoek naar COVID-19,” zo schrijven de onderzoekers.