Langzaam maar zeker lossen wetenschappers steeds meer vragen over het pas recentelijk aan het licht gebrachte ‘afantasie’ op.

Sluit je ogen eens en stel je schaapjes voor die over een hek springen. Het is een alom bekende tip om sneller in slaap te vallen. Maar er zijn ook mensen die zich er niets bij kunnen voorstellen. En dat zijn zogenoemde ‘afantasten’, mensen met een zeldzame afwijking waardoor ze een gebrek hebben aan inbeeldingsvermogen.

Schaapjes tellen
“Sommige mensen die afantasie hebben begrijpen niet wat het betekent om schaapjes te tellen voordat ze naar bed gaan,” vertelt onderzoeksleider Wilma Bainbridge. “Ze dachten dat het slechts een uitdrukking was en hadden tot op volwassen leeftijd nooit door dat andere mensen zich daadwerkelijk schapen konden voorstellen zonder ze echt te zien.” Mensen met afantasie kunnen kort gezegd dus geen zintuigelijke waarnemingen oproepen. Ze kunnen bijvoorbeeld ook niet de woonkamer van hun ouders visualiseren of zich bepaalde geuren voorstellen.

Studie
Afantasie is eigenlijk pas recentelijk aan het licht gekomen als een psychologisch fenomeen. Dit is gedeeltelijk te danken aan een aantal beroemde mensen die ermee naar voren kwamen en schreven over hun gebrek aan ervaring met visuele beelden. Om meer over deze zeldzame afwijking te weten te komen, besloten onderzoekers in een nieuwe studie het fenomeen wat beter te bestuderen. Aangezien afantasie slechts een klein percentage van de bevolking treft, rekruteerden de onderzoekers deelnemers via online forums waar mensen met de aandoening hun ervaringen delen. Uiteindelijk verzamelden de onderzoekers 61 afantasten en 52 mensen zonder de aandoening.

Doel
De onderzoekers besloten de verschillen tussen afantasten en mensen zonder de aandoening op een specifieke reeks visuele geheugentaken te testen. Het doel was om het nog weinig bestudeerde fenomeen beter te karakteriseren en verschillen tussen het visuele en ruimtelijke geheugen te onderscheiden. Om dit te doen, lieten de onderzoekers foto’s van drie verschillende kamers aan de proefpersonen zien. Vervolgens vroegen ze de deelnemers om de kamers te tekenen; één keer uit het hoofd en een keer terwijl ze naar de foto mochten kijken.

Verschillen
De verschillen in het geheugenexperiment waren opvallend. Mensen zonder de aandoening tekenden vaak de meest in het oog springende voorwerpen in een kamer met een klein detail, zoals een kleur. Denk bijvoorbeeld aan een groen tapijt. Afantasten hadden het wat moeilijker. Zij konden een paar voorwerpen in een kamer plaatsen, maar hun tekeningen waren vaak eenvoudiger en gevuld met schriftelijke beschrijvingen. Sommigen schreven bijvoorbeeld het woord ‘raam’ op een muur in plaats van daadwerkelijk een ruit te tekenen.

Tekening van een persoon met afantasie vergeleken met die van een persoon zonder de aandoening. Afbeelding: University of Chicago

Hoewel mensen met afantasie geen visueel geheugen hebben, lijken ze dus wel over een ruimtelijk geheugen te beschikken. Mogelijk wordt dit ergens anders in de hersenen verwerkt. En op zich is dat niet heel verrassend. Mensen die aangeboren blind zijn kunnen bijvoorbeeld ook nog steeds de indeling van een bekende kamer beschrijven. Op dezelfde manier konden mensen met afantasie de voorwerpen die ze zich herinnerden meestal – net zoals mensen zonder de aandoening – op de juiste plek in de kamer plaatsen. Maar in tegenstelling tot mensen zonder afantasie, konden afantasten zich niet veel details herinneren.

Valse herinneringen
Hoewel afantasten zich dus minder voorwerpen konden herinneren, maakten ze opvallend genoeg ook minder fouten. Ze creëren namelijk geen valse herinneringen, zoals mensen zonder de aandoening vaak wel doen. Laatstgenoemden plaatsten regelmatig voorwerpen die niet op de foto’s stonden toch in een betreffende kamer. Zo tekende iemand zelfs een piano in een kamer terwijl op de foto alleen een open haard, stoelen en een bank afgebeeld stond. “Mogelijk putten ze uit hun visuele herinneringen aan andere huiskamers, iets dat mensen met afantasie niet kunnen,” legt Bainbridge uit. En dat leidde ertoe dat afantasten minder fouten maakten in het natekenen van de kamers. “Omdat afantasten meer moeite hebben met de taak vertrouwen ze op andere strategieën, zoals verbale codering van de ruimte,” verklaart Bainbridge. “Hun verbale voorstelling en andere compenserende strategieën kunnen ervoor zorgen dat ze beter in staat zijn om valse herinneringen te vermijden.”

Volgens de onderzoekers levert de studie een belangrijke bijdrage aan het groeiend aantal onderzoeken naar afantasie. Maar we zijn er nog niet. De volgende stap is om afantasie, en hoe dit zich manifesteert in de hersenen, met behulp van MRI-scans te bestuderen. Op die manier hoopt het team enkele van de mechanismen achter de zeldzame aandoening aan het licht te brengen.