Je ziet het nog wel eens in tekenfilms: piraten die hun schatten begraven op een verlaten eiland en er een aantekening van maken op een schatkaart. Fictie? Of ging dat vroeger regelmatig zo?

We kennen allemaal de verhalen van een piratenkapitein uit de Caraïben – al dan niet met een lapje voor één van de ogen, een handspaak, een houten been of een papegaai – die geroofde schatten begraaft op een afgelegen eiland. De piraat maakt een schatkaart en/of schrijft een moeilijk leesbare tekst of cryptogram met aanwijzingen waar de schat ligt. Wat niet zo bekend is, dat dit populaire beeld van piraten pas is ontstaan na publicatie van de roman Schateiland (Treasure Island) van de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson (1850-1894); die publicatie was in 1883, nadat het verhaal gedurende 1881 en 1882 was gedrukt als vervolgverhaal in een kindertijdschrift. In het voorwoord van zijn roman schreef Stevenson dat hij voor dit verhaal veel inspiratie had gekregen van korte verhalen van de overleden Amerikaanse schrijvers Washington Irving (1783-1859) en Edgar Allan Poe (1809-1849); Irving met Wolfert Webber, or Golden Dreams en Kidd the Pirate (beide gepubliceerd in 1824 in een verhalenbundel) en Poe met The Gold-Bug (‘De goudkever’) (1843), waarin een moeizame ontcijfering van een cryptogram uiteindelijk leidt tot de vondst van een schat die tientallen jaren eerder was begraven door piratenkapitein Kidd.

William Kidd. Een tijdje zette hij zich in om piraten te vangen, maar uiteindelijk werd hij zelf piraat. Dat was duidelijk lucratiever.

William Kidd. Een tijdje zette hij zich in om piraten te vangen, maar uiteindelijk werd hij zelf piraat. Dat was duidelijk lucratiever.

William Kidd, de enige piraat die met zekerheid een schat begraven heeft
De piratenkapitein Kidd, die dus een rol speelt in Amerikaanse korte verhalen van Irving en Poe, heeft echt bestaan; bedoeld werd de Schot William Kidd (1645-1701), die in 1695 een officiële kaperbrief kreeg van de Engelse koning, maar later door Engelse autoriteiten werd gezocht als piraat. Kidd begroef in juni 1699 een deel van zijn buit op Gardiners Island in de staat – toen nog Britse kolonie – New York. Die schat werd korte tijd later opgegraven, en Kidd werd gearresteerd. De schat diende als bewijsmateriaal tegen Kidd’s proces in Londen, waar hij op 23 mei 1701 werd opgehangen; zijn lichaam bungelde nog lange tijd aan een kooi aan de oever van de Theems. Kidd is de enige piraat die met zekerheid – gebaseerd op betrouwbare primaire bronnen – ooit een schat begraven heeft! Kidd en zijn tijdgenoten hebben nooit geweten dat latere generaties – na de publicatie van Stevenson’s kinderroman – piraten zouden associëren met schateilanden!

Begraven piratenschatten: ongetwijfeld een grote uitzondering
De vele jongensboeken en stripverhalen die vanaf omstreeks 1890 over piraten zijn geschreven, zijn meestal enigszins gebaseerd op de boekaniers in de Caraïben (c.1630-c.1700) en de zogenaamde Piratenkring in de Atlantische en westelijke Indische Oceaan (c.1690-c.1720). Al deze piraten zullen slechts zelden geroofde schatten hebben begraven, om diverse redenen.
Ten eerste wilden piraten doorgaans zo snel mogelijk hun geroofde goederen verkopen, waarvoor ze vaak moesten onderhandelen met helers; met andere woorden, piraten moesten hun roofgoed meestal verkopen tegen prijzen die onder de marktprijzen lagen. En dat terwijl piraten veel geld nodig als ze in een haven waren; voor alcohol en hoeren, maar ook voor onderhoud of reparatie van de schepen, nieuwe wapens, munitie en andere voorraden. Aangezien piraten meestal gezocht werden door de autoriteiten, moesten ze hun voorraden meestal inkopen op ‘zwarte’ markten met de bijbehorende hoge prijzen. Kortom, piraten hielden meestal weinig buit over om te begraven.
Ten tweede zou het voor een piratenkapitein meestal niet zo eenvoudig zijn geweest een deel van de buit te verbergen en te begraven zonder dat zijn meeste bemanningsleden het door hadden. In jongensboeken gaat het vaak zo, dat een kapitein met enkele getrouwen stiekem een deel van de buit begraaft, waarna de kapitein die getrouwen ‘uitschakelt’, maar in werkelijkheid zal iets dergelijks nooit, of slechts bij hoge uitzondering, zijn voorgekomen.
Ten derde: waarom zou je een schat op een afgelegen eiland begraven? Motieven zullen ongetwijfeld zeldzaam zijn geweest. Een motief kan zijn geweest dat een deel van de buit te bekend was, en daardoor onverkoopbaar – althans voor een aantal jaren. Een ander denkbaar motief kan zijn geweest, dat de piraten wilden terugkeren naar de ‘beschaafde’ wereld, en niet te veel wilden opvallen door rijkdom. Maar ook in dat laatste geval, zal het altijd de bedoeling zijn geweest op een later tijdstip terug te keren naar het afgelegen eiland, om alsnog van de schat te gaan rentenieren. Maar daarvoor zou dan wel een zeewaardig schip met bemanning nodig zijn geweest – wat moeilijk te realiseren zou zijn, zonder het geheim van de schat te verraden.
In sommige verhalen wordt het thema van de begraven piratenschatten realistisch gemaakt, door een piratenschip met een pas veroverde rijke buit, te laten vergaan door een storm of een navigatiefout; een deel van de piraten weet dan zichzelf en de schat nog te redden, bereikt met een sloep of een vlot een afgelegen eiland, begraaft daar de schat, en wacht op een schip dat ze komt redden. Als dat schip komt, doen de piraten zich voor als onschuldige schipbreukelingen, en keren terug naar de ‘beschaafde’ wereld. Eén van de ex-piraten verklapt later het geheim van de schat, vaak op zijn sterfbed of het schavot. En dan beginnen de avonturen van de schatzoekers.

Edgar Allan Poe: een beroemde schrijver die onder meer over piraten schreef.

Edgar Allan Poe: een beroemde schrijver die onder meer over piraten schreef.

Een aantal mogelijke schateilanden
Liefhebbers van schatverhalen kunnen zich uitstekend vermaken met het boek Treasure Islands (1992), door Cameron Platt en John Wright (in het Nederlands vertaald als Schateilanden (1993). De auteurs vertellen verhalen van begraven schatten en schatzoekers, zoveel mogelijk gebaseerd op primaire bronnen – hoewel de betrouwbaarheid van die bronnen niet altijd te achterhalen is. Nu volgen, in het kort, enkele voorbeelden uit dat boek. We noemen hier voorbeelden die ouder zijn dan de beroemde roman van Stevenson (1881), en in sommige gevallen zelfs ouder dan de korte verhalen van Poe (1843) en Irving (1824), die in het begin van dit artikel werden genoemd. Het is mogelijk dat deze auteurs – of latere auteurs van populaire piratenromans en stripverhalen – deze ‘oude’ verhalen gekend hebben, en er inspiratie door hebben gekregen.

Mahé Eiland, Seychellen; schateiland van piraat Le Vasseur?
De Franse piratenkapitein Olivier le Vasseur (c. 1680-1730), alias De Buizerd, was actief in het westen van de Indische Oceaan. Ergens tussen 1725 en 1730 vestigde hij zich, na vele jaren te hebben geroofd, op het Franse eiland Réunion in de westelijke Indische Oceaan, waar hij probeerde een onopvallend leven te leiden. Maar hij werd herkend en berecht. Op weg naar de galg, op 7 juli 1730, zou hij een medaillon, met daarin een cryptogram, in het publiek hebben geworpen, terwijl hij riep: “Iedereen mag mijn schat proberen te vinden!” (De kans is groot dat Poe deze legende heeft verwerkt in De Goudkever.) Er dook vele jaren later inderdaad een cryptogram op, maar de authenticiteit staat niet vast. Volgens sommige schatzoekers moest de schat volgens het cryptogram liggen op Mahé, het hoofdeiland van de Seychellen – tegenwoordig een toeristenparadijs. Op Mahé zijn dan ook veel schatgravers actief geweest. Zonder succes.

Prachtig, de Seychellen. Maar is er ook een schat te vinden?

Prachtig, de Seychellen. Maar is er ook een schat te vinden?

Lord Howe Eiland, Australië; schat van een walvisvaarder (?)
Een ander mogelijk schateiland is Lord Howe Eiland, een klein vulkanisch eilandje in de zuidwestelijke Stille Oceaan, tegenwoordig een natuurgebied en toeristenparadijs behorend tot Australië. De schat – als die ooit bestaan heeft – werd in 1829 begraven; niet door een piratenkapitein, maar door de kapitein van een walvisvaarder. In die tijd was het toen nog onbewoonde eiland populair bij zeelieden vanwege het overvloedige verse drinkwater en de gemakkelijke jacht op de vele zeevogels. In één van de laatste maanden van 1829 strandde hier de walvisvaarder George, met aan boord – volgens het verhaal – 5000 Britse gouden souvereigns, die kapitein Rattenbury zou hebben verdiend in Sydney, door verkoop van de lading van zijn vorige tocht. Bij de nadering van Lord Howe Eiland werd het schip onherstelbaar beschadigd door botsing met een rots, die nog steeds George Rock heet. De kapitein zou in staat zijn geweest stiekem zijn schat te begraven – hoewel misschien enkele trouwe bemanningsleden op de hoogte waren. Na ruim een maand werden Rattenbury en zijn mannen gered door twee andere schepen. In november 1831 zou Rattenbury zijn teruggekeerd naar het eiland, maar hij kon zijn schat niet meer terugvinden – hetzij door een aardverschuiving, hetzij doordat één of meer medeplichtigen hem voor waren geweest. Het enige wat we uit betrouwbare primaire bronnen kunnen concluderen, is dat Rattenbury en zijn schip echt bestaan hebben, dat Rattenbury in dienst was van de Derwent Whaling Club in Hobart in Tasmanië, en dat Rattenbury en zijn bemanning schipbreukelingen op het eiland zijn geweest, en zijn gered.

De Selvagens-eilanden. Ze liggen tussen de Madeira-eilanden en de Canarische Eilanden. Afbeelding: Wiltron (via Wikimedia Commons).

De Selvagens-eilanden. Ze liggen tussen de Madeira-eilanden en de Canarische Eilanden. Afbeelding: Wiltron (via Wikimedia Commons).

Een schat op de Selvagens Eilanden?
Een opmerkelijk schatverhaal speelt op de Selvagens Eilanden, onbewoonde eilandjes tussen twee toeristische archipels: de Madeira Eilanden in het noorden en de Canarische Eilanden in het zuiden. De Selvagens behoren politiek tot Madeira, en dus tot Portugal, hoewel de Spaanse Canarische Eilanden iets dichterbij liggen. De Selvagens bestaan uit een vrij groot eiland (Selvagem Grande, overigens slechts ongeveer 250 hectare groot), een klein eiland (Selvagem Pequena), een nog kleiner eiland (Ilhéu de Fora) en talrijke rotsen.
Het verhaal begint in Londen, in of omstreeks 1812, met de komst van een bejaarde Zweedse zeeman, genaamd Christian Creuse – in de officiële Engelstalige archieven meestal gespeld als ‘Cruise’. Deze zeeman slaagde er in minstens één hooggeplaatste heer van de Royal Navy te spreken te krijgen, met een vreemd verhaal. In 1804 was een Spaans schip op weg van Zuid-Amerika naar Cadiz in Spanje, met verschillende goederen aan boord, waaronder kisten met munten met een totale waarde van ongeveer twee miljoen dollars. Toen het schip nog maar enkele dagen varen van Cadiz verwijderd was, kreeg de bemanning informatie van een langskomend neutraal schip, dat Brittannië en Spanje in oorlog waren geraakt, en dat Cadiz en andere Spaanse havens werden geblokkeerd door de Royal Navy. De kapitein besloot daarom terug te varen, richting de Caraïben. Toen de Selvagens in zicht kwamen, brak er muiterij uit, waarbij de kapitein werd vermoord. Het grootste deel van de dollars werd begraven in één van de baaien van de archipel, net boven de hoogwaterlijn. De kapitein werd met opzet boven de schat begraven; mocht de kapitein worden opgegraven, dan zou men waarschijnlijk niet dieper gaan graven. De muiters zeilden met een klein deel van de dollars richting de Caraïben, en wilden het schip opzettelijk laten stranden, en in brand steken, zodat ze zich tegenover de autoriteiten konden voordoen als onschuldige schipbreukelingen. De meegenomen dollars zouden gebruikt worden voor aankoop van een ander schip, waarmee de rest van de buit zou worden opgehaald. Maar alles ging mis. Het schip strandde en slechts twee muiters overleefden. Zij bereikten de Santa Cruz of Sint Thomas, waar één van hen overleed. De enige overlevende, een Spanjaard, werd opnieuw matroos. Deze Spanjaard en Christian Creuse waren enkele jaren kameraden op een Deens koopvaardijschip, totdat ze allebei gele koorts kregen en werden opgenomen in een ziekenhuis aan de wal. Kort voor zijn dood, onthulde de Spanjaard zijn misdaden aan Creuse, die ze enkele jaren later doorvertelde aan de Britse Admiraliteit.

Zelfs na zijn pensionering bleef kapitein Robinson naar de schat zoeken – zonder succes

In hoeverre de verhalen over de muiterij, de moord en de begraven schat waar zijn, zullen we waarschijnlijk nooit weten. Wat we wel zeker weten, is dat het verhaal serieus werd genomen door de Britse Admiraliteit. (Ondergetekende heeft – voor zijn boek The Selavgens, Forgotten Atlantic Islands – aan experts gevraagd relevante primaire bronnen van de Royal Navy op te zoeken in de officiële Britse archieven in Kew, nabij Londen.) In januari 1813 kreeg kapitein Hercules Robinson (1789-1864) van HMS Promotheus – die op het punt stond te vertrekken naar Madeira – bevel van de Admiraliteit om Christian Creuse aan boord te nemen, en te zoeken naar de schat die Creuse had genoemd. In de archieven van de Royal Navy zijn enkele geschriften te vinden waarin Creuse en zijn verhaal worden genoemd; en in de bewaard gebleven ‘muster-tabel‘ van HMS Promotheus lezen we over een passagier, ‘Christen Creuse’, die volgens één van de notities invalide zou zijn. Bovendien heeft kapitein Robinson, vele jaren later, na zijn pensionering, een autobiografie, Sea Drift, geschreven met een beschrijving van de gebeurtenissen rond Creuse. Op 18 en 19 maart 1813 lag HMS Promotheus voor anker bij Selvagem Grande, en vele mannen begonnen te graven op het enige strand, in de oostelijke baai. Er werd niets gevonden. Vele jaren later, in 1856, na zijn pensionering, heeft kapitein Robinson Selvagem Grande opnieuw bezocht, om naar de schat te zoeken – wederom zonder succes. Maar Robinson schrijft ook in zijn autobiografie dat hij op de Canarische Eilanden verhalen had gehoord over diverse schatzoekers een aantal jaren eerder.

De kustlijn van Selvagem Pequena. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

De kustlijn van Selvagem Pequena. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Nog een andere schat op de Selvagens Eilanden?
In diverse boeken over Madeira wordt – zonder bronvermelding – gewag gemaakt van het volgende verhaal. Tijdens de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog (1846-1848), beroofde een Spaanse piraat drie Mexicaanse schepen van hun ladingen, en begroef die ladingen op “een woest eiland nabij Tenerife”, misschien één van de Selvagens. Althans, dat zou een bemanningslid van de piraat hebben onthuld, vlak voor zijn dood. Britse schatzoekers zouden naar aanleiding van dit bericht hebben gegraven op Selvagem Grande en Selvagem Pequena, omstreeks 1850.
Betrouwbare primaire bronnen over het verhaal over de Spaanse piraat zijn niet bekend. Maar in de Britse officiële archieven in Kew zijn wel enkele primaire documenten te vinden, geschreven in de herfst van 1851, afkomstig van het Britse consulaat in Madeira, waarin we lezen dat er in die tijd inderdaad schatzoekers waren gesignaleerd op Selvagem Pequena! We lezen in die archieven ook dat de Portugese eigenaar van de Selvagens geen toestemming had gegeven voor die activiteiten, en bang was voor schade, en daarom actie wenste van de autoriteiten van Madeira. En in het logboek van HMS Myrmidon lezen we dat er op 6 september 1851 landingen werden uitgevoerd op zowel Selvagem Grande als Selvagem Pequena. En volgens het logboek van HMS Rattler landden enkele bemanningsleden op Selvagem Pequena op 5 november 1851. Helaas vermelden de logboeken van beide Britse oorlogsschepen niet de redenen van de landingen, en lezen we niets over schatzoekers; maar de kans is groot dat de kapitein van HMS Rattler de landing uitvoerde op verzoek van de Britse consul op Madeira.

Cocoseiland: niet alleen adembenemend mooi, maar ook een schateiland? Afbeelding: Torombolix (via Wikimedia Commons).

Cocoseiland: niet alleen adembenemend mooi, maar ook een schateiland? Afbeelding: Torombolix (via Wikimedia Commons).

De Schat van Lima (1821) op Cocoseiland?
De ‘Schat van Lima’ bestond uit kostbaarheden uit die Peruviaanse stad uit 1821. In dat jaar was Lima in rep en roer door opstanden. De kerkelijke en wereldlijke autoriteiten waren bang voor plunderingen en verwoestingen, en verzamelden kostbaarheden uit de kathedraal en andere monumentale gebouwen, met een hedendaagse waarde van vele miljoenen dollars. Veel kostbaarheden werden – volgens de legende, die misschien voor een groot deel waar is – geladen aan boord van het schip Mary Dyer, onder commando van William Thompson uit Newfoundland. Thompson kreeg opdracht alles te bewaren of terug te brengen. Thompson en zijn mannen hadden geen strafbladen, maar de verleiding werd hen te groot. Ze vermoordden de priesters en de bewakers uit Lima en begroeven de schat op het onbewoonde Cocoseiland, tegenwoordig behorend tot Costa Rica en een natuurreservaat waar beperkt toeristen worden rondgeleid. Thompson en zijn mannen wilden naar de bewoonde wereld terugkeren om later de schat op te halen, maar werden gearresteerd. Alle mannen werden opgehangen, met uitzondering van Thompson en zijn eerste officier, die de plaats van de schat moesten aanwijzen. Eenmaal op Cocoseiland, wisten Thompson en zijn officier te ontsnappen, en hun belagers konden hen niet meer te vangen. De officier overleefde zijn ballingschap op Cocoseiland niet, maar Thompson werd uiteindelijk gered door zeelieden die dachten dat hij een onschuldige schipbreukeling was. Thompson kwam thuis, in Newfoundland, en begon op latere leeftijd te praten over zijn grote geheim. Sindsdien zijn er honderden schatzoekers op Cocoseiland geweest, maar de schat – als die daar ooit gelegen heeft – is nog nooit geborgen.

Edward Knight.

Edward Knight.

De Schat van Lima (1821) op Trindade Eiland?
Volgens een ander verhaal is een deel van de Schat van Lima begraven op het kleine, onbewoonde, bergachtige, Braziliaanse eiland Trindade, in de Zuidelijke Atlantische Oceaan. (Trindade heeft tegenwoordig enkele accommodaties voor militairen en wetenschappers. Het eiland moet niet verward worden met het veel grotere eiland Trinidad in West-Indië.) De informant zou een oude kwartiermeester zijn geweest, die in 1850, op zijn sterfbed, onthulde piraat te zijn geweest, en daarbij zelfs een schatkaart uit zijn scheepskist toonde. Hij vertelde dat hij en zijn kameraden Spaanse schepen met kerkelijke schatten uit Lima hadden geroofd, en dat de meeste kameraden in of omstreeks 1822 waren opgehangen in Havana in Cuba.
De Britse oceaanzeiler en gentleman-avonturier Edward Knight (1852-1925) vernam dit verhaal – via tussenpersonen – in 1888, dus enkele jaren na de publicatie van Stevenson’s Schateiland. Knight wist dat dergelijke jongensboekachtige verhalen meestal gebaseerd waren op pure fantasie, maar voor het verhaal van de kwartiermeester maakte hij een uitzondering, om twee redenen. Ten eerste bleken er volgens Spaanse archieven inderdaad piraten te zijn opgehangen in Havana in 1822, na schuldig te zijn bevonden aan het plunderen van Spaanse schepen die waren vertrokken uit Lima. Ten tweede leek de schatkaart – of een kopie daarvan – wel erg veel op een plek op Trindade, die Knight als oceaanzeiler al eens had bezocht. In 1889 voer Knight dan ook naar Trindade, met vier betaalde zeelieden en negen andere Britse gentleman-avonturiers. Ze hebben maandenlang gegraven op Trindade, zonder enig resultaat. Knight schreef er over in zijn autobiografie The Cruise of the Alerte, geprint in 1890.

Alex Ritsema (1963) is in 1987 afgestudeerd als econoom en statisticus aan de Universiteit van Groningen. Sinds 1989 werkt hij in Deventer op Saxion Hogescholen – maar dat heeft weinig te maken met één van zijn grote hobby’s: het bezoeken en bestuderen van kleine eilanden, overal ter wereld. Hij heeft enkele Engelstalige boeken geschreven over eilanden en maritieme geschiedenis. Meer informatie over de Nederlandse Waddeneilanden schreef hij in zijn boek ‘Discover the Dutch wadden Islands’ (Lulupress, 2008). Zijn eilanden-website is www.aworldofislands.com.