Een slang is dankzij infrarode straling in staat om ‘s nachts een muis op een meter afstand waar te nemen. Hoe hij dat precies doet, is nu door onderzoekers helemaal uitgeplozen. De slang blijkt blindelings in staat om een prooi op te sporen en te doden. Niet omdat hij hem ziet, maar omdat hij hem voelt.

Ratelslangen, boa’s en pythons hebben een orgaan tussen de ogen en het neusgat waardoor ze in staat zijn ook kleine hoeveelheden infrarode straling op te merken. Bioloog David Julius besloot te onderzoeken hoe de slang dat precies voor elkaar kreeg. “In dit geval wordt de infrarode straling uiteindelijk in het orgaan als warmte opgemerkt,” vertelt hij. “Wij hebben het molecuul gevonden dat daarvoor verantwoordelijk is.”

In het orgaan dat de warmte opmerkt – een holte – zit een heel dun membraan. Dit warmt op wanneer de straling door een opening in de huid van de slang terechtkomt. Omdat het membraan in een holte zit, is het heel gevoelig voor temperatuursveranderingen. Het verwarmde membraan stuurt een signaal naar de zenuwcellen waarna er tot actie kan worden overgegaan. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een slang hitte eerder voelt dan ziet. Het molecuul dat nauw bij de detectie van prooien betrokken is, maakt deel uit van een serie receptoren die nauw samenhangt met het doorgeven van pijnsignalen in zoogdieren.”

De resultaten zijn opvallend en kunnen helpen om een beter beeld te krijgen van de evolutie van de slang. Het lijkt er namelijk op dat de evolutie zich de afgelopen jaren herhaald heeft; boa’s en pythons beschikken over de holte waar warmte wordt gevoeld, maar de veel jongere adders hebben dezelfde capaciteiten. “Het is verbazingwekkend dat een willekeurige mutatie meer dan eens met dezelfde oplossing is gekomen.”