Een reconstructie van de laatste jaren van de laatste mammoeten suggereert dat extreme weersomstandigheden de laatste nagel aan hun spreekwoordelijke doodskist vormden.

Dat stelt een internationaal team van wetenschappers nadat ze zich bogen over botten van wolharige mammoeten die zijn teruggevonden in Siberië, Alaska, Yukon (in het noordwesten van Canada) en Wrangel-eiland (de plek waar de mammoeten het langst stand hielden, zie kader).

Tijdens de laatste IJstijd (oftewel tussen 100.000 tot 15.000 jaar geleden) liepen er tal van wolharige mammoeten rond op het noordelijk halfrond. Maar aan hun gloriedagen kwam een einde toen de aarde zo’n 15.000 jaar geleden begon op te warmen en het leefgebied van de wolharige mammoeten in rap tempo kleiner werd. Vrij snel stierven de mammoeten op het vasteland uit. Maar de populatie op Wrangel-eiland – die door de door opwarming ingegeven zeespiegelstijging compleet geïsoleerd raakte – hield het zo’n 7000 jaar langer uit.

Door de laatste jaren van de laatste mammoeten op Wrangel-eiland te reconstrueren, hopen onderzoekers een beter beeld te krijgen van de processen die er uiteindelijk toe leidden dat ook deze wolharige mammoeten het onderspit dolven. Ze keken daartoe naar de verhoudingen tussen verschillende isotopen in de botten van de mammoeten en vergeleken deze met isotopen in botten van mammoeten die veel eerder en op heel andere plekken op aarde waren uitgestorven.


Sneeuw en regen
Het levert interessante bevindingen op en brengt de wetenschappers tot de conclusie dat alledaagse tegenslagen uiteindelijk de ondergang van de toch al in het nauw gedreven mammoet inluidden. Je kunt dan bijvoorbeeld denken aan slecht weer, zoals sneeuwbuien gevolgd door regen, waardoor de ondergrond in korte tijd met een dikke ijslaag bedekt raakte en de mammoeten – die voornamelijk toendraplanten nuttigden – hun voedsel niet langer konden bereiken.

Stabiele omgeving
De onderzoekers trekken die conclusie zoals gezegd op basis van isotopen, die meer kunnen onthullen over wat mammoeten aten en dronken en hoe hun leefomgeving eruitzag. Wat de isotopen in de botten van de mammoeten op Wrangel-eiland laten zien, is dat hun dieet en omgeving in aanloop naar hun uitsterven nauwelijks is veranderd. Dat staat in schril contrast met wat de onderzoekers – wederom op basis van onder meer isotopen – weten van mammoeten die veel eerder, op andere plekken, uitstierven. De koolstof- en stikstof-isotopen in de botten van deze mammoeten getuigen namelijk van veranderingen in dieet en een – waarschijnlijk door de opwarming van de aarde ingegeven – verstoring van hun leefomgeving. In het geval van de mammoeten op Wrangel-eiland bleven de stikstof- en koolstof-isotopen vanaf het moment dat de aarde begon op te warmen tot aan het moment waarop zij uitstierven, onveranderd. Je zou dan ook bijna denken dat deze mammoet in een heel stabiele leefomgeving toch vrij onverwachts het loodje legde.

Drinkwater en genetische diversiteit
Helemaal onveranderlijk was de omgeving van de Wrangler-mammoeten natuurlijk niet. In de botten van mammoeten, die leefden in de periode kort voor het uitsterven van deze laatste populatie, troffen de onderzoekers opvallend veel zwavel en strontium aan, wat zou wijzen op een sterkere erosie van gesteenten. Dat proces kan de kwaliteit van hun drinkwater hebben aangetast. Maar dat werd ze uiteindelijk niet fataal, zo benadrukken de onderzoekers. Hetzelfde geldt voor het feit dat deze populatie in een relatief klein, geïsoleerd gebied leefde, waardoor de genetische diversiteit afnam; het kwam de mammoet niet ten goede, maar is an sich ook niet schuldig aan haar ondergang.


Weer
In plaats daarvan lijkt het er volgens de onderzoekers op dat processen die op korte termijn speelden, de laatste nagel aan de doodskist van de wolharige mammoet waren. “Het is gemakkelijk voor te stellen dat de populatie – misschien al verzwakt door genetische aftakeling en problemen met de drinkwaterkwaliteit – ineenstortte na zoiets als een extreme weersgebeurtenis,” aldus onderzoeker Hervé Bocherens.

Mensen
Eerder werden ook mensen wel in verband gebracht met het uitsterven van de wolharige mammoet. De onderzoekers benadrukken dat ze niet uit kunnen sluiten dat mensen een negatieve invloed hebben gehad op de laatste populatie mammoeten. Tegelijkertijd benadrukken ze echter dat het oudste bewijs voor de aanwezigheid van mensen dat op Wrangel-eiland is teruggevonden enkele honderden jaren jonger is dan het jongste mammoetenbot dat ons van het eiland bekend is. In andere woorden: er is op dit moment geen bewijs dat mensen het eiland gelijktijdig met de mammoeten bewoonden.

Het onderzoek heeft niet alleen implicaties voor ons begrip van de wolharige mammoet en zijn ondergang. Het kan ons ook helpen bij het beschermen van diersoorten die vandaag de dag het onderspit dreigen te delven. Het beschermen van geïsoleerde populaties – die met name heel kwetsbaar zijn – lijkt afgaand op dit onderzoek bijvoorbeeld minder effectief dan het beschermen van populaties die nog met elkaar in contact staan.