De botten van een prooi verslinden kan nogal belastend zijn.

Dat de tanden van een vleesetende dinosaurus scherp moeten zijn, is van groot belang. Hiermee verscheurt hij namelijk het vlees van zijn prooi of verslindt de botten van zijn slachtoffers. Maar na veelvuldig gebruik kunnen die tanden natuurlijk wat slijten. Gelukkig had de vleesetende dinosaurussoort Majungasaurus daar iets op bedacht. Want onderzoekers zijn in een nieuwe studie tot de verrassende ontdekking gekomen dat deze dino meerdere keren per jaar zijn gehele gebit verving.

Meer over de Majungasaurus
Majungasaurus is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs die tot de groep van Neoceratosauria behoorde. Deze dino leefde zo’n 70 miljoen jaar geleden tijdens het late Krijt in Madagaskar. Majungasaurus was een middelgrote vleesetende dinosaurus die ongeveer zes meter lang kon worden. Hij had een korte brede kop met vrij kleine tanden en een stevig gebouwd gedrongen lichaam met kleine voorpoten en korte achterpoten. Overal op zijn lichaam had hij wat vreemde bulten en uitsteeksels, waaronder een verticale hoorn op zijn kop.

Fossielen
In de studie bogen de onderzoekers zich over een verzameling fossiele tanden van zowel de Majungasaurus, als van twee andere roofsauriërs: de Ceratosaurus en Allosaurus. Het team legde deze tanden onder de microscoop en bestudeerde de kleine groeilijntjes. Deze groeilijnen zijn vergelijkbaar met boomringen. Maar in plaats van één keer per jaar, krijgen de tanden elke dag een nieuw lijntje. Tegelijkertijd gebruikte het team CT-scans om reserve-tanden die nog diep in de kaak verscholen lagen aan het licht te brengen. Hierdoor konden de onderzoekers nauwkeurig schatten hoe vaak de dino’s hun tanden wisselden.


CT-scans van de kaken van Majungasaurus (links), Ceratosaurus (midden) en Allosaurus (rechts). Afbeelding: PLOS ONE

Tanden
De onderzoekers kwamen erachter dat Majungasaurus met ongekende snelheid nieuwe tanden groeide; zo’n twee tot dertien keer sneller dan bij de andere vleesetende dinosaurussen. Het betekent dat de dino om de paar maanden zijn volledige gebit inruilde voor een nieuwe.  “Dit impliceert dat hun tanden nogal snel sleten, mogelijk omdat ze aan botten knaagden,” veronderstelt onderzoeksleider Michael D. D’Emic. “We hebben krassen en groeven gevonden die overeenkomen met de afstand en grootte van hun tanden op verschillende botten. Deze botten behoorden toe aan dieren waar Majungasaurus mogelijk op jaagde.”

Knagen
Sommige hedendaagse dieren knagen ook nog steeds op botten, waaronder knaagdieren. Dit doen ze niet zomaar. Het is namelijk een efficiënte manier om bepaalde voedingsstoffen binnen te krijgen. Het vereist echter wel uitzonderlijk sterke tanden. En laat Majungasaurus dat nou net niet hebben gehad. “Dit zou een reden kunnen zijn voor het feit dat deze dino’s hun tanden opvallend vaak wisselden,” oppert D’Emic. Dit plaatst de Majungasaurus in hetzelfde rijtje als haaien die zich ook om de haverklap een nieuw gebit aanmeten.

Bovendien lijkt Majungasaurus overeenkomsten te vertonen met plantenetende dinosaurussen, die ook opmerkelijk vaak van tanden wisselden. Gemiddeld ging een tand van de Diplodocus en Camarasaurus maar één tot twee maanden mee. Er bestonden trouwens ook dinosaurussen die te kampen kregen met ‘wiebeltanden’. Hoe ouder ze werden, hoe groter de kans dat ze geheel tandeloos door het leven moesten.