Hun diepgewortelde afkeer voor de koolgroenten wordt veroorzaakt door de bacteriën die in hun mond leven.

Planten zijn geen weerloze organismen; ze beschikken over tal van verdedigingsmechanismen. Zo ook de groenten uit het Brassica-geslacht. Denk aan bloemkool, broccoli en spruitjes. Ze herbergen van nature een stofje dat bekend staat als S-methyl-L-cysteïne-sulfoxide. “Ongeveer 1 procent van het droge gewicht van de groente bestaat uit dit stofje,” zo vertelt onderzoeker Damian Frank. “Wanneer het plantweefsel gebroken wordt, kan een enzym in de plant dit stofje heel snel afbreken, waardoor onder meer een stinkende, zwavelhoudende vluchtige stof vrijkomt. Zo verdedigt de plant zichzelf.”

Volwassenen
Eerder onderzoek heeft al uitgewezen dat sommige volwassenen over mondbacteriën beschikken die datzelfde S-methyl-L-cysteïne-sulfoxide afbrekende enzym voortbrengen. En wanneer zij groente uit het Brassica-geslacht nuttigen, gaat dit enzym de rijkelijk in de koolgroente aanwezige S-methyl-L-cysteïne-sulfoxiden afbreken. “En dat leidt tot de opbouw van veel stinkende zwavelhoudende vluchtige stoffen in de mond.” Het kan helpen verklaren waarom sommige volwassenen weinig van deze groenten moeten hebben.

Verschillen
Daarnaast is ook uit onderzoek gebleken dat de hoeveelheid S-methyl-L-cysteïne-sulfoxide afbrekende enzymen in het speeksel van volwassene tot volwassene verschilt. Maar onduidelijk was of ook kinderen over uiteenlopende hoeveelheden van dit enzym beschikken en in hoeverre die eventuele verschillen van invloed zijn op hun voedselvoorkeuren.

Nieuwe inzichten
Het nieuwe onderzoek van Frank en collega’s brengt daar verandering in. In het blad Journal of Agricultural and Food Chemistry beschrijven de onderzoekers experimenten waaruit blijkt dat het ene kind meer S-methyl-L-cysteïne-sulfoxide afbrekende enzymen bezit dan het andere. Daarnaast blijkt dat kinderen die veel van deze enzymen bezaten ook een grotere afkeur hadden van spruitjes, bloemkool en andere Brassica-gewassen.

Het onderzoek
De onderzoekers verzamelden voor hun studie 98 kinderen die tussen de 6 en 8 jaar oud waren. Ook hun ouders namen deel aan het onderzoek. De proefpersonen kregen meerdere stoffen voorgeschoteld en moesten de geur ervan beoordelen. Dimethyltrisulfide, een stof die zwavelachtig ruikt, werd door de ouders en kinderen aangewezen als de stof met de meest walgelijke geur. Vervolgens stonden alle proefpersonen wat speeksel af. Dat speeksel werd gemengd met rauw bloemkoolpoeder, waarna de onderzoekers keken welke vluchtige stoffen er door de interactie tussen het bloemkoolpoeder en (enzymen in) het speeksel vrijkwamen. Er bleken grote verschillen te zijn tussen de hoeveelheid zwavelachtige stoffen die uit de met speeksel van verschillende proefpersonen gevulde kweekbakjes kwamen zetten. En de onderzoekers konden al snel concluderen dat ook het speeksel van kinderen uiteenlopende hoeveelheden S-methyl-L-cysteïne-sulfoxide afbrekende enzymen bevat. En na wat navraag te hebben gedaan naar de voedselvoorkeuren, bleken kinderen wier speeksel tijdens de interactie met bloemkoolpoeder de meeste zwavelachtige stoffen voorbracht, ook de grootste hekel te hebben aan Brassica-groenten. Hun voedselvoorkeuren lijken dan ook mede bepaald te worden door hun orale microbioom, oftewel de bacteriën die in hun mond leven.

Ouders en kinderen
Maar het onderzoek levert nog een interessante conclusie op. Wan hoewel de mate waarin speeksel na interactie met bloemkoolpoeder zwavelachtige vluchtige stoffen produceerde, van persoon tot persoon sterk kon verschillen, bleek het speeksel van kinderen vaak vrijwel net zoveel stinkende stoffen te genereren als dat van hun ouders. Het is volgens de onderzoekers te verklaren doordat ze ongeveer hetzelfde orale microbioom hebben. “We weten dat het oorspronkelijke microbioom van kinderen sterk lijkt op dat van hun moeder,” aldus Frank. “Daarna gaat de omgeving dat microbioom veranderen en verder vormgeven.” Hierbij spelen factoren zoals woonplaats, dieet, eventueel antibioticagebruik en of iemand wel of geen huisdieren heeft bijvoorbeeld een rol. “Het betekent dat mensen die samen leven ook vaak met dezelfde microben te maken hebben en dat hun microbiomen ook vaak sterk op elkaar lijken.”

Er is hoop
En dat gedeelde microbioom zorgt er dus voor dat sommige kinderen min of meer gedoemd zijn om een hekel aan spruitjes te hebben. Maar er gloort hoop. Want waar de kinderen wier speeksel na interactie met het bloemkoolpoeder de meeste zwavelachtige stoffen voortbracht, ook de grootste hekel aan bloemkool bleken te hebben, gold dat niet voor volwassenen. Het suggereert dat zij door de tijd heen toch geleerd hebben om de reactie die de Brassica-groenten in de mond teweegbrengen, te tolereren. “Herhaaldelijke blootstelling kan de houding van mensen jegens groenten veranderen,” stelt Frank. Het is een klein lichtpuntje voor al die ouders die hun kinderen met moeite aan de bloemkool en broccoli krijgen. “Ouders zouden moeten volhouden,” vindt Frank. Daarnaast kan enige creativiteit in de keuken ook helpen. “Afhankelijk van de wijze waarop je de Brassica-groenten bereidt, kun je de reactie wel een beetje maskeren.”

De studie presenteert een aantal interessante en belangrijke nieuwe inzichten. “In de meeste landen eet men te weinig groenten,” vertelt Frank. “Brassica-groenten zijn met name heel goed voor ons, dus alles wat ertoe kan leiden dat kinderen (en volwassenen) er meer van gaan eten, is de moeite waard.” Tegelijkertijd valt er ook nog veel te ontdekken. “Ik denk dat het geweldig is dat microben in de mond van invloed kunnen zijn op onze smaak en perceptie en mogelijk ook de mate waarin we voedsel lekker vinden. We weten daar nog niet veel van af, maar het effect bestaat zeker en is nader onderzoek waard.”