Hoewel taalpuriteinen daar ongetwijfeld niet aan willen, hangt onze spelling van toevalligheden aaneen. Helemaal niet erg. Maar moeten we er dan misschien ook niet wat minder krampachtig mee omgaan?

Het is 1550 en de eerste Nederlandse spellinggids verschijnt: Nederlandsche Spellijnghe. Zoals de titel al doet vermoeden, worden woorden in die spellinggids een tikkie anders geschreven dan we vandaag de dag gewend zijn. Onze huidige spelling is dan ook het resultaat van een heuse evolutie, waar tientallen spellinggidsen deel van uit hebben gemaakt. “In de zestiende en zeventiende eeuw verschenen er zo’n 30 van deze spellinggidsen,” vertelt professor Nicoline van der Sijs, verbonden aan de Radboud Universiteit en het Meertens Instituut en mede-auteur van de recent verschenen ‘Atlas van de Nederlandse taal‘ (zie hiernaast). “En ook in de achttiende eeuw zijn er een aantal verschenen. Allemaal stonden ze vol met ideeën over hoe de standaardtaal en -spelling eruit zou moeten zien.” Dat was geen overbodige luxe. “Het drukwerk nam toe en men wilde teksten publiceren die begrijpelijk waren voor een groot publiek.” Maar al die goedbedoelde spellinggidsen slaagden er eigenlijk niet in om de Republiek – en iets later het Koninkrijk – aan een uniforme spelling te krijgen. Dat lag niet aan de schrijvers van die gidsen, maar aan onze overheid, of beter gezegd: het weinig kordate optreden daarvan. “Pas aan het begin van de negentiende eeuw – eigenlijk dankzij Napoleon – had de centrale overheid voldoende gezag om de spellingregels in ieder geval voor ambtenaren en het onderwijs officieel vast te leggen.” Het resulteerde in 1804 in de spelling-Siegenbeek die hoogleraar Matthijs Siegenbeek in zijn ‘Verhandeling over de Nederduitsche Spelling ter bevordering van eenparigheid‘ enthousiast uit de doeken doet. Vandaag de dag hebben waarschijnlijk weinigen van ons van Siegenbeek gehoord. Dat is ook niet zo gek: zijn spelling werd al in de negentiende eeuw weer herzien.

Herziening na herziening
Het is misschien wel één van de meest gehoorde jammerklachten als het om de Nederlandse spelling gaat: ze wordt zo vaak herzien. Maar dat is eigenlijk een fabeltje. De spelling-Siegenbeek vierde 79 jaar hoogtij en werd in Nederland pas in 1883 vervangen voor de spelling-De Vries en Te Winkel. “En in de twintigste eeuw is de spelling maar drie keer herzien,” vertelt Van der Sijs. Dat gebeurde in 1947, 1954 en 1995. En vanaf 1995 buigt de Taalunie zich elke 10 jaar over onze spelling. “Maar dat resulteert niet per se in een verandering van de spellingregels,” benadrukt Van der Sijs. “Wat wel elke keer verandert, is de woordenlijst.” Sommige woorden verdwijnen, andere komen nieuw binnen. Vaak hebben die nieuwe binnenkomers een buitenlandse achtergrond. “Het zijn leenwoorden en de vraag is dan natuurlijk: hoe moet je die spellen?” Dat wordt elke tien jaar dus netjes bepaald en vastgelegd.

Hier gaat het vaak fout

Welke woorden spellen we nu het vaakst verkeerd? Op 1: applaudisseren. 2: cappuccino. 3: dommeriken. 4: faillissement. 5: ge-e-maild. Andere lastige woorden – die onder meer veelvuldig in dictees opduiken – zijn: minuscuul, adellijk, consciëntieus en feeëriek.

De discussie van 2005
Dat er tijdens de laatste herziening – in 2015 – helemaal niet aan de spellingregels werd getoornd en alleen maar enkele woorden aan de woordenlijst werden toegevoegd, heeft misschien ook wel te maken met de ophef die in 2005 ontstond. Toen gooide de Taalunie namelijk vrij onverwachts de spellingregels voor hoofdletters, afkortingen, woordafbreking, verkleinwoorden, Engelse leenwoorden en aaneenschrijven van woorden overhoop. De kritiek was niet van de lucht. “Het leidde tot een flinke discussie,” kan Van der Sijs zich herinneren. Dat onze spelling ons zo aan het hart gaat, lijkt misschien verwonderlijk. Want waarom zou de stoom uit je oren komen als de Taalunie besluit dat we paddestoel voortaan met een tussen-n schrijven? Van der Sijs denkt dat wel te kunnen verklaren. “Mensen hebben zich in hun jeugd bepaalde spellingregels met veel moeite eigen gemaakt en dan willen ze eigenlijk niet dat die regels weer veranderen. Ook hechten mensen aan het woordbeeld dat ze hebben.”

Weer teruggedraaid
Uiteindelijk werden sommige spellingregels na deze storm aan kritiek toch weer herzien. Zo had de Taalunie in 1995 bedacht dat we paardenbloem voortaan als paardebloem moesten schrijven. Maar daar kwam men later toch weer op terug. Gezwicht voor de kritiek? “De kritiek speelt zeker een rol en daar wordt ook serieus naar gekeken,” weet Van der Sijs. “Maar een spellingregel kan achteraf ook worden teruggedraaid omdat deze bij nader inzien inconsequent is.” Dat overkwam het woord insect/insekt bijvoorbeeld herhaaldelijk. “In 1954 werd besloten dat de spelling met ‘k’ de voorkeur had, maar dat de spelling met ‘c’ ook werd toegestaan. In 1995 werd bepaald dat het met een ‘c’ moest. Dat werd onder meer besloten, omdat je insecticide ook met een ‘c’ schrijft en het dus inconsequent zou zijn om insect met een ‘k’ te schrijven.” Hoewel sommigen zich over dit soort aanpassingen erg op kunnen winden, zijn het veranderingen op subsubsub-niveau, stelt Van der Sijs. “Aan de spellingprincipes wordt niet getornd.”

Commissie-Geerts

De Leuvense taalkundige Guido Geerts krijgt in 1995 opdracht van de Nederlandse Taalunie om een nieuwe spelling uit te werken. En hij heeft daar tamelijk baanbrekende ideeën bij. Zo wil hij de bastaardwoorden eens goed onder handen nemen. Ze moeten vernederlandst worden. Citroen moet voortaan als sitroen geschreven worden. En vrouwen gaan niet meer naar de gynaecoloog, maar naar de ginekoloog. Maar de commissie-Geerts krijgt die vernieuwingen er uiteindelijk niet doorheen en voorzitter Geerts treedt af. Als reactie wordt de spellingsvariatie van bastaardwoorden juist ingeperkt. Een woord als actie mocht voor 1995 nog met een ‘c’ en een ‘k’ geschreven worden, maar in de spellinggids van 1995 is het louter actie. In die gids wordt ook de pannekoek naar het rijk der fabelen gebonjourd. Voortaan is het – tot veler verdriet – pannenkoek.

Toeval
Die principes stammen uit de renaissance. “In de middeleeuwen schreef men woorden op basis van klank. Dus men zette ze op papier zoals ze werden uitgesproken. Maar in de renaissance ging men nadenken over hoe taal in elkaar stak.” Als voorbeeld haalt Van der Sijs het woord ‘hond’ aan. “Dat werd in de Middeleeuwen geschreven met een t: hont. Maar het meervoud is ‘honden’ en dan heb je ook nog woorden als ‘hondsmoe’. Het gaat allemaal over dezelfde hond, maar je schrijft het eerst met een ‘t’, in meervoud gebruik je een d en in ‘hondsmoe’ zet je er nog een ‘s’ bij.” In de Renaissance besloot men dat dat anders, uniformer moest. “Morfologie ging een rol spelen.” Maar dat betekende dus dat er keuzes gemaakt moesten worden. “En niet alleen op het gebied van zelfstandige naamwoorden, ook als het ging om werkwoorden. Zo schrijf je bijvoorbeeld ‘hij loopt’, er komt dan een ‘t’ achter de stam. Maar moet je dan ook zeggen ‘hij zitt’? De stam van ‘zitten’ eindigt al op een ‘t’, dus moet je er dan nog eentje achterzetten, zoals ook gebeurt na een stam op een d: hij vindt? En dan waren er ook nog pleitbezorgers voor de spelling hij speeld, naar analogie van de verleden tijd speelde – vergelijkbaar dus met hond – honden? Wat je eigenlijk in de renaissance zag, was dat men het eens was over de principes, maar dat de uitwerking ervan toevallig bepaald is.” En dus schrijven we vandaag de dag ‘hij loopt’, maar ook – heel inconsequent – ‘hij zit’. “Eigenlijk is spelling dus ook maar een keuze. Er komt een grote mate van toeval bij kijken.” Dat zien we bijvoorbeeld ook als we kijken naar de woorden tsoenami en citroen. “De gebruikelijke gang van zaken is dat een vreemd woord ingeburgerd raakt, en dan als zogenaamd bastaardwoord een vernederlandste spelling krijgt. Dat zien we bijvoorbeeld bij het woord sigaret, dat met een ‘s’ wordt gespeld en niet met een ‘c’, zoals in het Frans. Maar neem nu citroen: dat is toch ook een behoorlijk ingeburgerd woord. Moeten we dat dan ook niet eens vernederlandsen en als ‘sitroen’ gaan schrijven? Gezien de spelling sigaret valt daar wel iets voor te zeggen.” En in 1995 probeert Guido Geerts (zie kader) dat erdoorheen te krijgen. Maar het lukt niet. De inburgering van leenwoorden kan op allerlei manieren doorkuist worden. “Een mooi voorbeeld is het woord tsunami. In 1995 schreef men dat nog met de ingeburgerde spelling tsoenami. Maar toen sloeg in Azië die verschrikkelijke tsunami toe. De kranten berichtten daarover wekenlang en de kranten namen die berichtgeving veelal over uit Engelstalige bronnen, die tsunami spelden. Het gevolg is dat tegenwoordig de officiële spelling tsunami luidt.”

Hij ziet er zo onschuldig uit: de paardenbloem. Maar het plantje is onderwerp van discussie, want is het nu paardebloem of paardenbloem? Officieel mag alleen paardenbloem. De regel is dat de ‘n’ niet mag ontbreken, omdat ‘paard’ maar één meervoudsvorm heeft: ‘paarden’. Tegenstanders van paardenbloem, vinden het een ‘versteende samenstelling’: paardenbloem doet volgens hen te veel denken aan een bloem voor paarden en daarom schrijven zij liever paardebloem.

Minder krampachtig
Dat onze spelling van toevalligheden en inconsequente beslissingen aaneenhangt, is niets om ons voor te schamen, vindt Van der Sijs. Sterker nog: ze pleit ervoor om ook wat minder krampachtig met die spellingregels om te gaan. “Wat mij betreft zou er nog best wat meer variatie toe mogen worden gestaan.” Ze kijkt dan ook enigszins afgunstig naar de spelling die in 1954 te boek werd gesteld en waarin een woord als insect met een c en een k geschreven mocht worden. Maar wordt het geen zooitje als we zelf bepalen of we insect met een ‘c’ of een ‘k’ schrijven of zelf gaan beslissen of we vanavond ‘pannekoeken’ of ‘pannenkoeken’ eten? Van der Sijs denkt van niet. “In Engeland hebben ze bijvoorbeeld geen overheidsinstelling zoals de Taalunie die de spelling van woorden bepaalt. Daar bepalen uitgeverijen hoe woorden gespeld moeten worden en daar is toch behoorlijk wat eenheid.”

De tussen-n
Van der Sijs weet dan ook wel wat ze zou veranderen als zij de Nederlandse spelling zou mogen herzien. “Ik zou de tussen-n facultatief maken.” Ze wijst erop dat de huidige spellingregels omtrent die tussen-n behoorlijk ingewikkeld zijn (lees ze hier maar eens na) en dat onderzoek bovendien uitwijst dat die tussen-n invloed heeft op de manier waarop wij woorden interpreteren.

“Dat komt doordat in het Nederlands de uitgang ‘en’ meerdere functies vervult,” zo is te lezen in het boek ‘Atlas van de Nederlandse taal‘. “Het verbindt woorden in een samenstelling (aardbeienjam) maar is tevens een meervoudsuitgang (aardbeien). Sinds de spellingwijziging in 1995 bestaat er geen relatie meer tussen beide: er wordt geen meervoudsbetekenis uitgedrukt met het verbindingselement en in een woord als aardbeienjam. Toch blijkt uit diverse experimenten dat moedertaalsprekers van het Nederlands het woord aardbeien in de samenstelling aardbeienjam nog steeds als meervoudig interpreteren. In vergelijking met moedertaalsprekers van het Engels, die spreken van strawberry jam omdat ze geen tussenklanken kennen, zien Nederlanders meer aardbeien voor zich.”

Atlas van de Nederlandse taal

Dus misschien moeten we wanneer we voor de keuze staan om een tussen-n te gebruiken, ons niet zozeer laten leiden door de spellingregels, maar door wat we nu eigenlijk over willen brengen. Daarnaast kan Van der Sijs nog wel een ander karweitje bedenken voor de Taalunie. “We gebruiken ook veel plaatsnamen en persoonsnamen uit talen die een ander schrift hebben, bijvoorbeeld het Arabisch, Hebreeuws of Cyrillisch. Hoe we die moeten vernederlandsen? Daar bestaan nog geen regels voor. En ik denk dat de taalgebruiker daar wel mee geholpen zou zijn. Hoe spel je bijvoorbeeld de naam van de vroegere Russische leider Chroesjtsjov, Chroesjtsjev, Chroesjtsjëv, Chrushchov, Khrushchov?”

Wat heeft de Taalunie in 2025 voor ons in petto? Het blijft gissen. Zo af en toe zoemen er wel wat suggesties rond. Zo stelde Maurice de Hond bijvoorbeeld voor om het verschil dat nu nog gemaakt wordt tussen ‘ei’ en ‘ij’, ‘ou’ en ‘au’ te schrappen. Van der Sijs denkt niet dat de Taalunie daarin meegaat. Zo zijn er praktische bezwaren: als we de ‘ei’ vervangen door ‘ij’ of andersom, hoe gaan we ‘eis’ en ‘ijs’ dan uit elkaar houden? En dan is er nog dat eigenwijze, conservatieve Nederlandse volk, zo ontdekte ook De Hond die na zijn voorstel op sociale media heel wat negatieve reacties in ontvangst mocht nemen. Want weet je wat het is met onze spelling? Van der Sijs wel: “Dat ligt allemaal best gevoelig.”

Dit is het tweede deel in een drieluik over de Nederlandse taal. Vorige week kon je op Scientias.nl al alles lezen over de wegkwijnende dialecten in ons kikkerlandje.