Het is het tot op heden oudste bewijs voor de aanwezigheid van prehistorische mensen in bijzonder hooggelegen gebieden.

In een grot in de Ethiopische Bale Mountains hebben onderzoekers verschillende sporen van mensen ontdekt die erop wijzen dat de grot meer dan 30.000 jaar geleden al bewoond was. En dat is opmerkelijk. De grot in kwestie ligt namelijk meer dan 3300 meter boven zeeniveau.

De hooggelegen grot in Ethiopië waarin sporen van prehistorische mensen zijn teruggevonden. Afbeelding: G. Ossendorf.

Leven in de grot
In de grot zijn onder meer verbrande botten van dieren en door mensen verzamelde stenen, afkomstig uit de directe omgeving van de grot, teruggevonden. Ook stuitte men er op sporen van menselijke uitwerpselen en overblijfselen van kampvuren. “We kunnen met zekerheid zeggen dat mensen hier leefden,” stelt onderzoeker Götz Ossendorf, in gesprek met Scientias.nl. “Zowel de grote dichtheid van de door mensen verzamelde stenen objecten, de door mensen verzamelde dierlijke resten (botten), de sporen van kampvuren en ook de geochemisch gedetecteerde uitwerpselen als de datering staan geen andere conclusie toe.” Onduidelijk is echter of de grot meer dan 30.000 jaar geleden ook permanent bewoond werd. “Dat is lastig; deze mensen waren mobiele jagers en verzamelaars, wat betekent dat ze nooit lang op één plek leefden, maar door het landschap trokken. Voor nu kunnen we alleen concluderen dat mensen de grot in de periode tussen 47.000 en 31.000 jaar geleden herhaaldelijk benutten en dat ze deze – elke keer als ze er waren – als een soort basiskamp gebruikten.”


In de grot zijn onder meer botten van reuzenmolratten gevonden, waaraan de prehistorische mensen zich tegoed deden. Afbeelding:
G. Ossendorf.

Uitdagend
Het leven op zo’n grote hoogte is vandaag de dag niet gemakkelijk. En dat was het meer dan 30.000 jaar geleden ook niet. Over de vraag wat de grootste uitdaging voor deze mensen moet zijn geweest, hoeft Ossendorf niet lang na te denken. “Hypoxie.” Op grote hoogte is veel minder zuurstof beschikbaar, waardoor weefsels in het lichaam te maken kunnen krijgen met een zuurstoftekort. “Daarnaast vormen ook de kou en met ijs bedekte omgeving een uitdaging.” Met dat in gedachten is het nog bijzonderder dat mensen zich vrijwillig naar dit gebied begaven. “Er was geen drijfveer, geen klimaatverandering, die de mensen dwongen om het hogerop te zoeken,” benadrukt Ossendorf. “Dit werd opzettelijk gedaan en mensen vonden manieren om zich zowel cultureel als gedragsmatig aan deze omstandigheden aan te passen. Tenslotte moet worden opgemerkt dat deze mensen niet geïsoleerd of in gefragmenteerde groepjes leefden; opgegraven eierschalen van struisvogels wijzen erop dat ze contacten hadden en netwerken vormden met andere groeperingen in de laaglanden.”

Eén van de stenen gereedschappen die de onderzoekers in de grot hebben ontdekt. Afbeelding: G. Ossendorf.

Geen ongerepte gebieden
Dat mensen zich zo lang geleden al naar zulke hooggelegen gebieden begaven, is dus indrukwekkend. “Een paar jaar geleden was het zelfs bijna ondenkbaar geweest,” stelt Ossendorf. Niemand hield er rekening mee dat prehistorische mensen van grotten op duizenden meters hoogte een thuis hadden gemaakt. “Recente ontdekkingen op het Tibetaans Hoogland hebben daar enigszins verandering in gebracht.” Zo zijn er recent aanwijzingen gevonden dat mensen zich aldaar op zo’n 4600 meter boven zeeniveau tussen de 30.000 en 40.000 jaar geleden reeds wisten te redden. En ook de Denisovamens zou zich hoog in het Tibetaanse landschap wel vermaakt hebben. “Ons onderzoek betwist eveneens de lang gekoesterde aanname dat hooggelegen gebieden gezien moeten worden als ongerepte landschappen. Daarnaast krijgen we door dit onderzoek een steeds beter beeld van de ‘ecologische plasticiteit’ van onze soort.”

Genetische aanpassing
Hoe prehistorische mensen er precies in slaagden om op zo’n grote hoogte te (over)leven, is in dit stadium onduidelijk. Mogelijk werd het leven op grote hoogte mede mogelijk gemaakt door genetische adaptatie. Datzelfde zien we bij mensen die momenteel op het Tibetaans Hoogland leven. Zij bezitten een genvariant – EPAS1 genoemd – die voorkomt dat hun bloed onder invloed van een laag zuurstofniveau dik en stroperig wordt en zo de kans op hart- en vaatziekten verkleint. Aangenomen wordt dat de moderne Tibetanen deze genvariant verkregen hebben doordat hun voorouders in contact kwamen en zich mengden met Denisovamensen, die deze genvariant ook bezaten. “We verwachten dat Afrikaanse fossielen ook deze of andere genvarianten vertonen die getuigen van een aanpassing die het leven op grote hoogte mogelijk maakt,” stelt Ossendorf. “Maar dat is nog niet onderzocht.”


Ossendorf verwacht dat er in de toekomst nog veel oudere sporen van prehistorische mensen op grote hoogte ontdekt gaan worden. “Hooggelegen gebieden zijn over het algemeen nog nauwelijks onderzocht.”