De ziekte van Cushing – een aandoening waarbij spierkracht verloren gaat, de vetverdeling verandert en psychische stoornissen ontstaan – brengt een hoge productie van het stresshormoon cortisol met zich mee. En dat stofje zorgt ervoor dat de patiënten ook na genezing cognitief minder goed functioneren.

Onderzoekers van het Leids Universitair Medisch Centrum lieten mensen die al zo’n tien jaar genezen waren van de ziekte van Cushing een psychologische test doen. De onderzoekers vergeleken de uitkomsten vervolgens met de resultaten van geheel gezonde mensen en concluderen dat de oud-patiënten een slechtere geheugenfunctie en besluitvaardigheid hebben.

Chemische varianten
Men vermoedt dat de grote hoeveelheid cortisol de blijvende schade veroorzaakt; andere hormonen lopen bij de ziekte van Cushing namelijk geen schade op. Blijkbaar is de invloed van de grote hoeveelheid cortisol onomkeerbaar. “Dit heeft belangrijke implicaties, omdat chemische varianten van cortisol – corticosteroïden – veel gebruikt worden bij ziektes als astma en kanker,” vertelt onderzoeker Hans Romijn. “Het gebruik hiervan moet niet gestaakt worden, maar de voor- en nadelen moeten wel goed worden afgewogen.”

Cushing
Mensen met de ziekte van Cushing hebben een tumor in de kleine hormoonklier in het hoofd – de hypofyse – en hierdoor wordt teveel ACTH aangemaakt. Dit hormoon zorgt er vervolgens voor dat de bijnieren overmatig veel cortisol gaan afgeven.

Ongeveer één op de 100.000 mensen wordt door de ziekte van Cushing getroffen. De tumor kan veelal via de neus worden verwijderd. Soms volgt daarna nog bestraling.