Ongeveer 6000 jaar. Zo weinig tijd had een Australische zeester nodig om zich tot een nieuwe soort te ontwikkelen. Het bewijst maar weer eens dat evolutie geen traag proces is: soms kan het héél snel gaan.

Dat schrijven wetenschappers in het blad Proceedings of the Royal Society B. Ze baseren hun conclusies op een onderzoek naar twee soorten zeesterren: Cryptasterina pentagona en C. hystera.

Boven: C. hystera. Onder: C. pentagona. Foto’s: Jon Puritz / University of Hawaii, Manoa.

Toch anders
De twee zeesterren zien er hetzelfde uit, maar ze leven in twee verschillende gebieden. Een ander groot verschil is het seksleven van deze zeesterren. Mannelijke C. pentagona laten sperma los in het water en vrouwtjes laten eitjes los. Bevruchte eitjes groeien uit tot larven en uiteindelijk tot volwassen zeesterren. C. hystera is tweeslachtig en doet het allemaal in zijn/haar eentje. De jongen ontstaan in het lichaam van de zeester en lijken bij de geboorte al op een zeester. Het enige wat deze jongen nog moeten doen, is groeien.

DNA
Maar wanneer zijn deze twee soorten nu van elkaar gescheiden? En hoelang hebben ze er over gedaan om echt tot twee verschillende soorten uit te groeien? De onderzoekers zochten dat aan de hand van het DNA van de zeesterren, uit. Uit het onderzoek blijkt dat de twee soorten tussen de 6.000 en 22.000 jaar geleden van elkaar zijn gescheiden en uit konden groeien tot twee verschillende soorten.

Razendsnel
Blijkbaar zijn de soorten niet heel geleidelijk aan door verschillende mutaties ontstaan. In plaats daarvan zijn enkele exemplaren (of misschien zelfs één zeester) naar een afgelegen gebied ten zuiden van het leefgebied van deze zeesterren getrokken. Een verandering in de zeestromen zorgde ervoor dat deze zeesterren geïsoleerd raakten: contact met de andere zeesterren viel weg. En daar ontwikkelde C. hystera zich in enkele duizenden jaren tot een nieuwe soort.

Wetenschappers zijn verbaasd over deze snelle aanpak. “Dat is ongelofelijk snel in vergelijking met de meeste andere organismen,” stelt onderzoeker Rick Grosberg.