Ze hebben hun maximumsnelheid bereikt.

Dat suggereren onderzoekers nadat ze de supersnelle spieren van vleermuizen, zangvogels en kikvorsvissen bestudeerden. Ze probeerden zo na te gaan of deze dieren hun supersnelle spieren te danken hebben aan een gezamenlijke voorouder of onafhankelijk van elkaar hebben ontwikkeld. En dat levert verrassende inzichten op, zo schrijven ze in het blad eLife.

Supersnel
Spieren zijn er in allerlei varianten, maar het meest fascinerend zijn toch de supersnelle spieren, te vinden bij onder meer vleermuizen, zangvogels, ratelslangen en kikvorsvissen. Deze spieren kunnen tot wel 250 keer per seconde bewegen!

“Hoewel we eerder dachten dat ze zeldzaam waren, zijn deze extreme spieren overal om ons heen te vinden”

Kikvorsvissen
“De iconische supersnelle spieren zijn de drijvende kracht achter het alarmerende geratel van de ratelslangen,” vertelt onderzoeker Andrew Mead. Maar ook de kreten die kikvorsvissen slaken om vrouwtjes voor zich te winnen, worden mede mogelijk gemaakt door supersnelle spieren. En “de laatste jaren hebben we ontdekt dat ze ook de drijvende kracht zijn achter de snelle echolocatie-kreten die vleermuizen gebruiken om hun prooien te vangen en de uitgebreide vocale gymnastiek van zangvogels,” stelt Mead. “Dus hoewel we eerder dachten dat ze zeldzaam waren, zijn deze extreme spieren overal om ons heen te vinden en lijken ze doorgaans gebruikt te worden om controle uit te oefenen over de geluidsproductie,” voeg onderzoeker Coen Elemans toe.

Evolutie
Elemans en Mead besloten uit te zoeken hoe die supersnelle spieren geëvolueerd zijn. “We tonen aan dat alle supersnelle spieren bepaalde aanpassingen gemeen hebben die ze in staat stellen om supersnel samen te trekken,” vertelt Mead. Bovendien blijken de drie snelste spieren ter wereld – toebehorend aan kikvorsvissen, zangvogels en vleermuizen – een bijna identieke maximumsnelheid te hebben. Het wijst er sterk op dat de dieren met supersnelle spieren deze te danken hebben aan een gezamenlijke voorouder.

Maar vervolgonderzoek schetst een heel ander verhaal, zo vertelt Elemans. “Toen we keken naar de aanwezigheid van motoreiwitten ontdekten we dat in elk van deze drie supersnelle spieren een ander eiwit tot uiting komt.” En dat wijst er weer sterk op dat de vleermuis, kikvorsvis en zangvogel de supersnelle spieren onafhankelijk van elkaar verkregen hebben. Dat de dieren nu spieren hebben met een vrijwel identieke maximumsnelheid moet wel betekenen dat deze spieren écht niet sneller kunnen worden. Blijkbaar hebben de spieren hun maximale snelheid dus reeds behaald.