algenbrandstof

Voor olieproducerende algen geldt: hoe dikker, hoe beter. Want hoe dikker de algen, hoe meer olie ze maken. Wetenschappers hebben daarom een manier bedacht om uit alle algen de dikste en meest geschikte soort te vinden. Ze noemen het Survival of the Fattest.

Onder ons mensen is ‘dun zijn’ het schoonheidsideaal. Maar als het om olieproducerende algen gaat, houden onderzoekers er een ander schoonheidsideaal op na. Namelijk: hoe dikker, hoe beter. Hoe dikker de algen zijn, hoe meer olie er uitgeperst kan worden, hoe meer biodiesel eruit gemaakt kan worden en hoe meer auto’s op de algenbrandstof kunnen rijden.

Onhaalbaar
Maar het kweken van dikke algen is nog niet zo simpel. Het gevaar bestaat namelijk dat dunnere algen de olieproducerende algen besmetten. Dat probleem kan opgelost worden door met een gesloten kweeksysteem te werken, waardoor dunnere algen niet bij de dikke algen kunnen komen. Maar dat is een dure aangelegenheid en zeker op grote schaal praktisch niet haalbaar.

Survival of the Fattest
Onderzoekers van de TU Delft hebben daarom iets anders bedacht. Een methode waarbij alle algen welkom zijn in een kweeksysteem, maar waarbij tegelijkertijd door toedoen van selectie uiteindelijk alleen maar de dikste algen overblijven. “Olie is voor algen een koolstof- en energieopslag,” legt onderzoeker Peter Mooij uit. “Energie en koolstof komen bijvoorbeeld goed van pas in lange donkerperiodes of als het koud is. Algen hebben echter ook energie en koolstof nodig voor celdeling en om voedingsstoffen (zoals fosfaat en stikstof) uit het water op te nemen.” Wat de onderzoekers doen, is een aantal algen uit een vijver scheppen en deze in een reactor plaatsen. “Vervolgens geven we de algen overdag licht en CO2. Dat is genoeg om olie te maken, maar de algen kunnen niet delen. Daar zijn namelijk voedingsstoffen voor nodig en die geven we ze pas in het donker. Om die op te nemen hebben de algen energie en koolstof nodig. Als gevolg daarvan kunnen alleen de dikke algen delen, omdat die dat overdag opgeslagen hebben. Omdat we elke dag een deel van de algen verwijderen, wordt de cultuur na een tijdje volledig overgenomen door dikke algen, Survival of the Fattest dus.”

Experimenten tonen aan dat die aanpak echt werkt. “Het Survival of the Fattest-principe blijkt prachtig te werken: aan het begin is er een hele dierentuin aan algen aanwezig en na verloop van tijd wordt het systeem inderdaad (bijna) een monocultuur.” Er is alleen nog één probleem: de dikke algen produceren nog geen olie. “Algen maken namelijk niet alleen olie als energie- en koolstofopslag, maar ook zetmeel. En ons proefmilieu is wel selectief voor het maken van opslag in het algemeen, maar nog niet specifiek voor het opslaan van olie of zetmeel. Daarvoor moet het milieu nog specifieker gemaakt worden. En daar zijn we hard mee bezig.” Het volledige onderzoek van de wetenschappers is terug te vinden in het blad Energy & Environmental Science.