Mogelijk speelden vrouwen een grotere rol in de Middeleeuwse boekenproductie dan gedacht.

In de Middeleeuwen werden prachtige boeken geproduceerd. Vaak gebeurde dat in religieuze instellingen: kloosters bijvoorbeeld. Monniken waren er jarenlang bezig met het produceren van vaak rijkelijk versierde geschriften die vervolgens door de kerk zelf of de adel in gebruik werden genomen. Wie de geschriften precies maakten, is lastig vast te stellen; uit nederigheid ondertekenden de meeste schrijvers hun werk niet. Over het algemeen wordt door onderzoekers wel aangenomen dat het voornamelijk mannen waren die zich met de boekproductie bezighielden. Een nieuwe ontdekking in een klooster in Duitsland kan daar echter wel eens verandering in brengen.

Blauw pigment
Wetenschappers bogen zich over de resten van vrouwen die in de Middeleeuwen op de begraafplaats van een vrouwenklooster in Dalheim begraven waren. Er is vrij weinig over het klooster bekend. Aangenomen wordt dat de eerste vrouwen zich er rond de tiende eeuw vestigden. In de veertiende eeuw werd het klooster door brand verwoest. De resten van nonnen die in dit klooster leefden, leken in eerste instantie weinig bijzonder. Tot de onderzoekers het gefossiliseerde tandplak bestudeerden van een non die ergens tussen 1100 en 1200 overleed. Ze zou tussen de 45 en 60 jaar oud zijn geworden. In het tandplak troffen de onderzoekers blauwe deeltjes aan. “Het was een complete verrassing,” aldus onderzoeker Anita Radini. “Toen het tandplak oploste, kwamen honderden kleine blauwe deeltjes vrij.” Onderzoek wijst uit dat het gaat om een blauw pigment dat gemaakt werd van lazuursteen.


Kostbaar
Dit blauwe pigment was in de Middeleeuwen zeer kostbaar en werd gebruikt om de duurdere manuscripten mee te versieren. “We bestudeerden verschillende scenario’s die konden verklaren hoe dit mineraal in het tandplak van deze vrouw terecht kon komen,” vertelt Radini. “Afgaand op de verspreiding van het pigment in haar mond, concluderen we dat het het meest aannemelijk is dat zij zelf met het pigment werkte en tijdens het verven aan het tipje van haar kwast likte,” aldus onderzoeker Monica Tromp.

Handelsnetwerk
Zoals gezegd was het blauwe pigment – ook wel ultramarijn genoemd – bijzonder kostbaar. Alleen de beste schrijvers en schilders mochten er waarschijnlijk mee werken. Het wijst er dan ook op dat deze vrouw zeer vaardig was. “We hebben niet alleen bewijs gevonden dat deze vrouw verfde, maar ook dat ze verfde met een heel zeldzaam en duur pigment,” stelt onderzoeker Christina Warinner. En dat op een vrij afgelegen, onbeduidende plek: een klein klooster in Duitsland. “Ze maakte onderdeel uit van een enorm, wereldwijd handelsnetwerk dat zich – via handelsplaatsen in het Islamitische Egypte en Byzantijnse Constantinopel – uitstrekte van de mijnen in Afghanistan tot aan haar gemeenschap in het middeleeuwse Duitsland,” aldus onderzoeker Michael McCormick. “De groeiende economie van het elfde-eeuwse Europa leidde tot meer vraag naar kostbare en uitzonderlijke pigmenten die via handelskaravanen en schepen duizenden kilometers aflegden en in dienst kwamen te staan van de creatieve ambities van deze vrouwelijke kunstenaar.”

De ontdekking – die louter te danken is aan moderne technieken waarmee gefossiliseerd tandplak bestudeerd kan worden – roept de vraag op wat er nabij kloosters nog meer te ontdekken valt. “Ik vraag me af hoeveel kunstenaars we nog op middeleeuwse begraafplaatsen zouden kunnen vinden,” stelt Warinner.